ECLI:NL:CRVB:2011:BR4723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5534 WIA + 11-1251 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante is sinds september 2006 arbeidsongeschikt vanwege nek- en schouderklachten en heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV dat haar geen WIA-uitkering toekent omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

De rechtbank oordeelde dat het UWV een onjuiste medische grondslag had gehanteerd en gaf opdracht tot een nieuw besluit met inachtneming van een deskundigenrapport. Het UWV nam een nieuw besluit waarin beperkingen op het gebied van concentratie en aandacht werden opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML), maar handhaafde de weigering van de uitkering.

In hoger beroep stelde appellante dat het medicijngebruik onvoldoende was meegenomen en dat het toeslagelement in het uurloon van de functie schoonmaker hotel uit het loon moest worden gehaald om een juiste vergelijking te maken. De Raad oordeelde dat de nieuwe FML correct was opgesteld en dat de functie textielproductenmaker geschikt bleef. Ook het argument over het toeslagelement faalde omdat dit niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zou leiden.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/5534 WIA
11/1251 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2010, 08/8475 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een besluit op bezwaar van 19 november 2010 met bijlagen ingezonden.
Namens appellante is een reactie met bijlagen ingezonden en is een nader stuk ingediend, waarop het Uwv zijn commentaar heeft ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 8 september 2006 met nek- en schouderklachten vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet uitgevallen.
1.2. Het beroep van appellante richt zich tegen het besluit van 21 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 9 juli 2008, strekkende tot de vaststelling dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 5 september 2008, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door haar ingeschakelde deskundige anesthesioloog S. Hondema appellante op diverse aspecten in de rubriek persoonlijk functioneren meer beperkt heeft geacht dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is weergeven. De rechtbank heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van het oordeel van deze deskundige en heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen.
3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts in de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de sederende werking van het medicijn lyrica door geen beperking op te nemen met betrekking tot het aspect persoonlijk risico. Dit betekent, aldus appellante, dat de functie textielproductenmaker, medewerker doekenatelier ongeschikt is voor haar. Ook de functie schoonmaker hotel is ongeschikt omdat in het uurloon een toeslagelement verborgen zit voor het verrichten van wisselende diensten. Dit toeslagelement dient uit het uurloon gehaald te worden teneinde een vergelijking tussen de maatmanfunctie en de geselecteerde functies te maken die recht doet aan de verzekeringsgedachte van de Wet WIA.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 19 november 2010 opnieuw afwijzend beslist op het bezwaar van appellante en het besluit van 9 juli 2008 gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak volgt uit de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht dat indien naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt, dit besluit door de Raad bij de beoordeling wordt betrokken. Aan het nieuwe besluit ligt het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 14 november 2010 ten grondslag. De bezwaarverzekeringsarts heeft een nieuwe FML opgesteld waarbij beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de aspecten concentratie en aandacht. Op basis van deze FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit de functies bezien en op basis van de functies schoonmaker hotel, textielproductenmaker en magazijn, expeditiemedewerker geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd minder dan 35% blijft.
4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante in de nieuwe FML correct weergegeven door alsnog beperkingen op te nemen ten aanzien van de aspecten concentratie en aandacht. De beroepsgrond van appellante dat vanwege het gebruik van het medicijn lyrica ten onrechte geen beperking is opgenomen op het aspect persoonlijk risico en dat deswege de functie textielproductenmaker niet geschikt, is onderschrijft de Raad niet. In dit verband acht de Raad door de bezwaarverzekeringsarts in samenspraak met de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 7 april 2011 genoegzaam uiteengezet waarom deze functie textielproductenmaker geschikt is. Wat betreft de stelling van appellante dat het toeslagelement uit het uurloon van de functie schoonmaker hotel gehaald moet worden, stelt de Raad vast, dat het maatmaninkomen € 10,03 is en dat het uurloon van de functies schoonmaker hotel, textielproductenmaker en magazijn,expeditiemedewerker respectievelijk € 10,30, € 10,11 en € 9,89 is. Als de toeslag uit het uurloon van de functie schoonmaker hotel gehaald wordt, zal dat gelet op het maatmaninkomen en de uurlonen van de andere twee functies nooit tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35% kunnen leiden. Deze beroepsgrond treft geen doel.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond dient te worden verklaard en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL