ECLI:NL:CRVB:2011:BR4796

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-486 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant was werkzaam als administratief medewerker en meldde zich ziek vanwege psychische klachten. Het UWV besloot dat appellant vanaf 16 februari 2009 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep, waarbij de rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep het medisch onderzoek en de rapportages van de verzekeringsartsen als voldoende zorgvuldig en gemotiveerd beoordeelden.

Appellant voerde aan dat zijn combinatie van lichamelijke en psychische klachten hem belemmerde in zijn arbeid, met name zijn chauffeurswerkzaamheden, vanwege de noodzaak van concentratie en frequent toiletbezoek. De Raad vond echter dat de bezwaarverzekeringsarts een juist en volledig beeld had van de aard en zwaarte van het werk en dat het medisch onderzoek geen aanleiding gaf tot wijziging van het standpunt dat appellant in staat was tot arbeid.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen reden gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter Ch. van Voorst en griffier N.S.A. El Hana op 10 augustus 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

10/486 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2009, 09/3220 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Namens appellant is verschenen mr. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Rooy-van Bal.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant is van 24 september 2007 tot en met 24 maart 2008 werkzaam geweest als administratief medewerker bij ZAB Zorg te Den Haag. Op 17 augustus 2008 heeft appellant zich, vanuit een situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld vanwege psychische klachten. Bij besluit van 12 februari 2009 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 16 februari 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, gelet op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal neergelegd in diens rapportage van 25 maart 2009, bij besluit van 26 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen.
3. De stellingen van appellant in hoger beroep vormen in grote lijnen een herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd. Appellant stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de combinatie van lichamelijke en psychische klachten tot zodanige beperkingen leiden dat hij op de datum in geding niet in staat kon worden geacht zijn arbeid, met name zijn chauffeurswerkzaamheden, te verrichten. Bij deze werkzaamheden is concentratie en alertheid noodzakelijk en is het frequente toiletbezoek van appellant veelal onmogelijk.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek ten aanzien van appellant voldoende zorgvuldig geweest. De bedrijfsarts R.P. van Straaten heeft appellant onderzocht en vastgesteld dat sprake is van spanningsklachten ten gevolge van psychosociale problematiek. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft appellant eveneens onderzocht en de door hem bij de behandelend sector ingewonnen informatie van de PsyQ van 20 maart 2009 bij de beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts kon bij eigen onderzoek geen psychopathologie vaststellen en het lichamelijk onderzoek liet geen afwijkingen zien. Uit de informatie van PsyQ blijkt dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. De oorzaak van de klachten lijkt gelegen te zijn in psychosociale omstandigheden, onder andere relatieproblemen en financiële problemen. De Raad verwijst in dit verband nog de nadere reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 juni 2009. Ook de in beroep overgelegde informatie van de audioloog
dr. B.A.M. Franck van 13 oktober 2009 werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. Met betrekking tot die informatie onderschrijft de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts zoals neergelegd in diens rapportage van 29 oktober 2009.
4.3. Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven waarom er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant met ingang van 16 februari 2009 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
4.4. De Raad ziet ook overigens geen aanleiding om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts geen juist beeld heeft gehad van de aard en de zwaarte van het werk van appellant. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 25 maart 2009 omvat een uitvoerige omschrijving van de werkzaamheden die appellant bij zijn laatste werkgever ZAB Zorg heeft verricht.
5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El Hana.
RK