ECLI:NL:CRVB:2011:BR5005

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4166 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkering

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn WAO-uitkering. Tijdens de procedure bleek dat het UWV de uitkering van appellant met terugwerkende kracht had verhoogd naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierdoor was er feitelijk geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen.

De Raad besloot het onderzoek te schorsen en het UWV te verzoeken de actuele uitkeringssituatie te onderzoeken. Na ontvangst van het nieuwe besluit van het UWV, waarin de uitkering werd verhoogd, oordeelde de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant voor zowel de behandeling van het beroep als het hoger beroep, en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. Vergoedingen voor kosten in bezwaar werden afgewezen omdat geen verzoek daartoe was ingediend en het primaire besluit niet was herroepen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

10/4166 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/7913 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van den Heuvel. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.
Ter zitting van de Raad heeft mr. Van den Heuvel meegedeeld dat aan appellant inmiddels met ingang van
11 augustus 2009 een WAO-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend.
Hierop heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het Uwv in de gelegenheid wordt gesteld de actuele uitkeringssituatie van appellant te onderzoeken.
De Raad heeft het onderzoek heropend. Het Uwv heeft vervolgens bij brief van 11 april 2011 een reactie ingezonden. Hieruit blijkt dat het Uwv met een nieuw besluit, gedateerd 11 april 2011, de WAO-uitkering van appellant met ingang van
11 augustus 2009 heeft verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij brieven van 18 april 2011 en 30 mei 2011 heeft mr. Van den Heuvel namens appellant de Raad verzocht om uitspraak te doen en daarbij het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft hierop desgevraagd aan de Raad een reactie doen toekomen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt vast dat het Uwv met het besluit van 11 april 2011 geheel tegemoetkomt aan het hoger beroep van appellant. Nu er feitelijk tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.
2. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 het Pro Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
3. De door appellant gevorderde kosten van rechtsbijstand in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat bij herroeping van een besluit de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar heeft moeten maken, uitsluitend op diens verzoek door het bestuursorgaan worden vergoed. Nog ervan afgezien dat er geen besluit voorligt waarbij het primaire besluit van 3 juli 2009 is herroepen, geldt dat in de brief die appellant op 10 augustus 2009 aan het Uwv gezonden heeft, geen verzoek om vergoeding van bezwaarkosten is opgenomen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--; Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR