ECLI:NL:CRVB:2011:BR5272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1263 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak wegens ontbreken nieuw feit of omstandigheid

Verzoeker heeft verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2009, stellende dat hij jarenlang door een onbevoegde gemachtigde is vertegenwoordigd. Hij heeft een klacht ingediend bij de Deken der orde van advocaten over deze onbevoegde vertegenwoordiging.

De Raad overweegt dat het verzoek om herziening ingevolge artikel 8:88 Awb Pro alleen kan worden toegekend indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die voor de Raad niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De vraag of iemand bevoegd is geweest om te vertegenwoordigen valt hier niet onder en is voor eigen risico van verzoeker.

Verder wijst de Raad erop dat het herzieningsmiddel niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de uitspraak, maar slechts voor nieuwe feiten of omstandigheden. Omdat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, wordt het verzoek afgewezen.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in aanwezigheid van griffier T. Dolderman, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/1263 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
Als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2009 (08/306 ZW),
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad
van 10 juni 2009, 08/306.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vòòr de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vòòr de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn,en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen
leiden.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat gebleken is dat zijn zaak jarenlang, ten onrechte, slecht vertegenwoordigd is door een onbevoegde gemachtigde die geen advocaat of meester in de rechten is en dat hij inmiddels een klacht heeft ingediend bij de Deken der orde van advocaten tegen deze persoon en het advocatenkantoor waar deze persoon werkzaam was.
3.1. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de hiervoor onder 1 genoemde voorwaarden a tot en met c van artikel 8:88 van Pro de Awb. Dit artikel ziet op feiten en of omstandigheden die betrekking hebben op de inhoud van het geschil. De vraag of iemand al dan niet bevoegd door iemand is bijgestaan valt daar niet onder. Dit komt geheel voor eigen risico en rekening van verzoeker, nog afgezien van het feit dat in het bestuursrecht geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging.
3.2. Voor zover verzoeker heeft bedoeld aan te geven dat met een andere, wel bevoegde (of meer deskundige) gemachtigde, betere argumenten naar voren gebracht zouden zijn die de Raad mogelijk tot een ander oordeel gebracht zou hebben, wijst de Raad er op dat volgens vaste jurisprudentie – zie de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2003, LJN AN7982 – het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
4. Uit hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen volgt dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING.
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.
(get.) J. Riphagen.
(get.) T. Dolderman.
RK