ECLI:NL:CRVB:2011:BR5394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling aanspraak kinderbijslagperiode na ziekte en WAO-uitkering
Appellant, woonachtig in Marokko, stelde dat hij recht had op kinderbijslag vanaf 14 december 1987, omdat hij destijds ziek was en bezig was een WAO-uitkering te regelen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had echter de periode van kinderbijslag vastgesteld vanaf het eerste kwartaal van 1994, na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen bewijs was dat appellant de Svb eerder had geïnformeerd over zijn aanspraken. De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarop de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moest nemen.
De Svb kende vervolgens kinderbijslag toe over de periode van het tweede kwartaal 1990 tot en met het vierde kwartaal 1993, omdat appellant zijn aanspraken had veiliggesteld met een brief van mei 1990. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden dan dat van de rechtbank. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak dat de Svb de aanspraak correct had vastgesteld en wees het beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de periode waarover aanspraak op kinderbijslag bestaat door de Sociale verzekeringsbank juist is vastgesteld.