ECLI:NL:CRVB:2011:BR5394

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-7021 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringAlgemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling aanspraak kinderbijslagperiode na ziekte en WAO-uitkering

Appellant, woonachtig in Marokko, stelde dat hij recht had op kinderbijslag vanaf 14 december 1987, omdat hij destijds ziek was en bezig was een WAO-uitkering te regelen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had echter de periode van kinderbijslag vastgesteld vanaf het eerste kwartaal van 1994, na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen bewijs was dat appellant de Svb eerder had geïnformeerd over zijn aanspraken. De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarop de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moest nemen.

De Svb kende vervolgens kinderbijslag toe over de periode van het tweede kwartaal 1990 tot en met het vierde kwartaal 1993, omdat appellant zijn aanspraken had veiliggesteld met een brief van mei 1990. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden dan dat van de rechtbank. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak dat de Svb de aanspraak correct had vastgesteld en wees het beroep af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de periode waarover aanspraak op kinderbijslag bestaat door de Sociale verzekeringsbank juist is vastgesteld.

Uitspraak

10/7021 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2010, 10/1463 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 19 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft in december 1987 zijn werkzaamheden wegens ziekte gestaakt en is vervolgens teruggekeerd naar Marokko, alwaar hij sindsdien woont. Bij besluit van 18 juni 2002 is appellant met ingang van 14 december 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.
1.2. Bij besluit 2 oktober 2003 is kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 1998. Bij besluit van 21 december 2006 is het bezwaar gegrond verklaard en kinderbijslag toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 1994. Het beroep is ongegrond verklaard bij een uitspraak van 26 juni 2008 van de rechtbank.
1.3. Bij uitspraak van 23 juli 2009 van de Raad (LJN BJ4431) is de rechtbankuitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2006 vernietigd, bepaald dat de SVB een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van het overwogene in de uitspraak van de Raad en bepaald dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt.
1.4. De Svb heeft bij besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit) kinderbijslag toegekend over het tweede kwartaal van 1990 tot en met het vierde kwartaal van 1993. Daarbij is overwogen dat appellant zijn aanspraken op kinderbijslag heeft veiliggesteld bij brief van 21 mei 1990.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank acht het standpunt van de Svb dat appellant zijn aanspraken heeft veiliggesteld met zijn brief van 21 mei 1990 in overeenstemming met de uitspraak van 23 juli 2009 van de Raad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant de Svb al eerder heeft geïnformeerd over de aanvraag of de procedure ten aanzien van het recht op WAO-uitkering. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken.
3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen kinderbijslag is toegekend met ingang van 14 december 1987. Appellant heeft betoogd dat hij destijds ziek was en bezig was een WAO-uitkering te regelen. De WAO-uitkering is aanvankelijk geweigerd en pas later toegekend. De Svb heeft het standpunt ingenomen dat de periode waarover aanspraak op kinderbijslag bestaat juist is vastgesteld.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad constateert dat appellant in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte gronden heeft herhaald.
4.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname bij de rechtbank, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) T.J. van der Torn.
TM