ECLI:NL:CRVB:2011:BR5737

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3303 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens herstel voor eigen werk

Appellante was werkzaam als administratief- en cateringmedewerkster toen zij uitviel wegens maagklachten, later aangevuld met psychische en andere klachten. Het UWV weigerde haar ZW-uitkering per 7 juli 2009, omdat verzekeringsarts Ruijter haar herstel voor het eigen werk vaststelde. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd door het UWV.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellante geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die twijfel zou rechtvaardigen over de beoordelingen van de verzekeringsartsen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad vindt het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig, waarbij ook informatie van de huisarts en psycholoog is betrokken. De aanvullende medische stukken die appellante overlegt, bevatten geen nieuwe gegevens die tot een andere beoordeling leiden.

Daarmee slaagt het hoger beroep niet en blijft de weigering van de ZW-uitkering in stand. De Raad ziet geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ZW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/3303 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 april 2010, 09/6708 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met bijgevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 augustus 2010.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was via een uitzendbureau werkzaam als administratief- en cateringmedewerkster toen zij op 25 maart 2008 uitviel wegens maagklachten. Later zijn hier psychische, energetische en overige lichamelijke klachten bijgekomen.
1.2. In het kader van deze ziekmelding is appellante meerdere malen gezien door een verzekeringarts. Appellante is op 1 juli 2009 gezien door verzekeringsarts M.H.M. Ruijter en deze arts achtte appellante, gelet op zijn bevindingen uit onderzoek waaronder verkregen informatie van de huisarts en psycholoog, met ingang van 7 juli 2009 hersteld voor haar werk. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het Uwv appellante per 7 juli 2009 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 18 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juli 2009, onder verwijzing naar een rapportage van bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 18 augustus 2009, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordelingen van de verzekeringsartsen.
3. In hoger beroep stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig heeft geacht. Dit onderzoek duurde maar 10 minuten en er is ten onrechte geen informatie van de behandelend artsen ingewonnen. Verder stelt appellante dat de rechtbank, net als het Uwv, de ernst van haar psychische- en maagklachten heeft miskend. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij op 7 juli 2009 niet tot werkhervatting in staat was heeft appellante een journaal van haar huisarts C.H. Luirink van 20 oktober 2009 en informatie van haar behandelend psycholoog
C.J. van Harrevelt van 27 oktober 2009 overgelegd.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in geval van appellante het werk als administratief- en cateringmedewerkster voor 12 uur per week.
4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ten aanzien van appellante verrichte medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Appellante is onderzocht door verzekeringarts Ruijter. Deze heeft, mede op basis van verkregen informatie van behandelend psycholoog Van Harrevelt van 19 juni 2009, vastgesteld dat bij appellante sprake is van een recidiverende lichte tot matige depressie met angstige en neurotische kenmerken in de zin van hypochondrie. Het verzekerde werk is naar zijn oordeel goed te doen. Bezwaarverzekeringsarts Blanker heeft appellante eveneens onderzocht en heeft op basis van haar bevindingen uit dit onderzoek en rekening houdende met de in het dossier aanwezige medische informatie van zowel de huisarts als de psycholoog, het standpunt van de verzekeringsarts Ruijter onderschreven.
4.4. De Raad is voorts van oordeel dat de in hoger beroep overgelegde medische gegevens er niet op wijzen dat bij appellante op de datum in geding van verdergaande beperkingen sprake was dan de artsen van het Uwv hebben aangenomen. Hij onderschrijft de opvatting van bezwaarverzekeringsarts Blanker, zoals neergelegd in diens rapportage van 10 augustus 2010. Het rapport van psycholoog Van Harrevelt van 27 oktober 2009 bevat geen nieuwe medische informatie en verwijst naar een rapport dat reeds aan de bezwaarverzekeringsarts bekend was en bij de heroverweging in bezwaar is betrokken. De brief van de huisarts bevat naar het oordeel van de Raad evenmin nieuwe gegevens ten opzichte van de eerder overgelegde huisartsjournaals.
5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.D.F. de Moor.
NK