ECLI:NL:CRVB:2011:BR5763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was van augustus 2008 tot januari 2009 werkzaam als medewerker salarisadministratie in Wsw-verband en meldde zich op 23 december 2008 ziek vanwege psychische klachten. Vanaf 1 februari 2009 ontving hij een ziekengelduitkering, die op 20 maart 2009 werd beëindigd omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Op 19 juni 2009 meldde appellant zich opnieuw ziek terwijl hij een werkloosheidsuitkering ontving. Een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 11 augustus 2009 concludeerde dat appellant vanaf 17 augustus 2009 niet langer ongeschikt was voor arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld beëindigde. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd op 15 oktober 2009 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, met name vanwege het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die stelde dat de visusklachten niet geobjectiveerd waren en niet aannemelijk was dat deze de arbeidsgeschiktheid beïnvloedden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant uitgebreid was onderzocht door verzekeringsarts I. Sevinc en de bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat zijn medische toestand stabiel was en vergelijkbaar met de situatie voor zijn indiensttreding. Nieuwe gegevens in hoger beroep gaven geen aanleiding tot twijfel aan deze bevindingen.
De Raad bevestigde daarom de beëindiging van het recht op ziekengeld en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het recht op ziekengeld wegens voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.