ECLI:NL:CRVB:2011:BR5866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6510 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen terugvordering bijstand na detentie

Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de WWB, die door het College werd ingetrokken vanwege detentie en het niet tijdig melden daarvan. Het College vorderde kosten terug over een periode in februari 2009 en verstrekte een gespecificeerd overzicht van openstaande vorderingen.

Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar het College verklaarde dit bezwaar deels niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard, omdat de brief met het overzicht geen besluit was in de zin van de Awb.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat een schriftelijke mededeling over openstaande vorderingen geen besluit is en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep van appellant slaagt niet, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tegen het overzicht van openstaande vorderingen niet-ontvankelijk is en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

09/6510 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2009, 09/3658 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 16 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, heeft zich vervolgens als zijn gemachtigde gesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant ontving geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 9 april 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 9 februari 2009 ingetrokken op de grond dat hij per die datum is gedetineerd en dat hij het College daarvan niet tijdig in kennis heeft gesteld.
Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 tot en met 28 februari 2009 tot een bedrag van € 609,84 van hem teruggevorderd. Bij afzonderlijk schrijven van dezelfde datum heeft het College aan appellant een gespecificeerd overzicht verstrekt van de nog op hem openstaande vorderingen tot een totaalbedrag van € 6.975,-- , inclusief de vordering van € 609,84.
Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het College het bezwaar deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat de detentie en de hoogte van de terugvordering niet is bestreden en voorts dat tegen andere eerder genomen besluiten wegens termijnoverschrijding geen bezwaar meer mogelijk is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het tegen het besluit van 27 juli 2009 ingestelde beroep, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2009 vernietigd voor zover het bezwaar daarbij niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen in zoverre in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 8 juni 2009 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het bezwaar op een onjuiste grond niet-ontvankelijk is verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 27 juli 2009 in stand zijn gelaten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de door hem destijds ontvangen bedragen geen inkomsten maar geldleningen betreffen en dat hij niet zou weten hoe hij de gevorderde bedragen van zijn bijstandsuitkering zou moeten terugbetalen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat een schriftelijke mededeling over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van onder meer 4 januari 2005, LJN AS2079, en van 23 juni 2009, LJN BJ1822. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de brief van 8 juni 2009, waarin enkel een gespecificeerd overzicht is opgenomen van nog openstaande vorderingen op appellant, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar van appellant terecht - zij het op onjuiste gronden - niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet hierop is voor een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van appellant, gericht tegen de terugvordering van (een deel van) het bedrag van € 6.975,--, geen plaats.
4.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M.C. Nijholt.
HD