ECLI:NL:CRVB:2011:BR5902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks verblijf in verband met overlijden moeder
Appellante verbleef van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 in Marokko, wat aanleiding gaf tot terugvordering van bijstand door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het College vorderde aanvankelijk € 855,64 bruto terug, later vastgesteld op € 481,32 netto, waarbij het College al rekening had gehouden met de omstandigheden rondom het verblijf door af te zien van brutering.
Appellante stelde in hoger beroep dat het College geen rekening had gehouden met het feit dat haar verblijf verband hield met het overlijden van haar moeder en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het College deze omstandigheid wel degelijk had meegewogen door af te zien van brutering en dat de omstandigheden geen grond boden voor verdergaand afzien van terugvordering.
De Raad benadrukte dat dringende redenen alleen kunnen bestaan uit de gevolgen van terugvordering voor de belanghebbende en niet uit de oorzaak van het verblijf. Omdat appellante geen ernstige of onaanvaardbare gevolgen voor haar welzijn had gesteld of onderbouwd, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.