ECLI:NL:CRVB:2011:BR6127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen bijstand vanaf januari 2006. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte een onderzoek waarbij observaties, getuigenverklaringen en een woningdoorzoeking plaatsvonden. Het College trok de bijstand in en vorderde kosten terug omdat appellanten geen juiste opgave deden van verrichte werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij hand- en spandiensten hadden gemeld en dat de ingangsdatum van de intrekking willekeurig was gekozen. De Raad stelde vast dat appellanten diverse op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtten vanaf februari 2007, waaronder handel in apparatuur en goederen voor het bedrijf van hun dochter.
De bijstandsconsulente verklaarde dat geen toestemming was gegeven voor deze werkzaamheden met behoud van bijstand. Appellanten konden dit niet weerleggen met documenten. Door het ontbreken van een deugdelijke administratie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad vond de ingangsdatum van 1 februari 2007 niet willekeurig, gezien de oprichting van het bedrijf van de dochter en de onderzoeksbevindingen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.