ECLI:NL:CRVB:2011:BR6783

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1989 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • R. Kooper
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wijziging einddatum bovenwettelijke uitkering na reorganisatie en diensttijddiscussie

Appellant, voormalig medewerker van de Rijksuniversiteit Leiden, trad in 2000 in dienst bij de Erasmus Universiteit Rotterdam en ging later over naar het Erasmus MC. In 2006 sloten partijen een overeenkomst voor beëindiging van het dienstverband met een bovenwettelijke uitkering voor een periode van 46 maanden.

Na toekenning van de uitkering tot 2017 wijzigde het bestuur dit in 2009 naar een einddatum in 2012, conform de overeenkomst. Appellant betwistte dit en stelde dat ook zijn diensttijd bij de Rijksuniversiteit Leiden moest meetellen, wat een langere uitkering zou rechtvaardigen.

De Raad oordeelde dat de diensttijd bij de Dienst Veiligheid en Milieu van de Rijksuniversiteit Leiden niet als diensttijd bij een rechtsvoorganger van het UMC kan worden beschouwd. Het wijzigingsbesluit was een herstel van een fout en niet in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat de eerdere overstap niet onder reorganisatie viel.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de wijziging van de einddatum van de bovenwettelijke uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/1989 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/6939 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 1 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A.J. Vis, werkzaam bij Abvakabo FNV. Het bestuur heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam bij de Dienst Veiligheid en Milieu (DVM) van de Rijksuniversiteit Leiden (RUL). Met ingang van 1 oktober 2000 is hij in dienst getreden bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). Vervolgens is hij in het kader van een reorganisatie overgegaan naar het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC).
1.2. In oktober 2006 hebben appellant en het bestuur een overeenkomst gesloten strekkende tot beëindiging van het dienstverband (hierna: Overeenkomst). Hierin is bepaald dat aan appellant met ingang van 1 december 2008 eervol ontslag "op andere gronden" zal worden verleend. Verder is onder meer bepaald dat appellant, naast de uitkering op grond van de Werkloosheidswet, een uitkering ontvangt op grond van de Regeling Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering Academische Ziekenhuizen (RBWAZ) zoals deze luidt per 1 januari 2007. Daarbij gelden onverkort de wijzigingen die voortvloeien uit punt 9 van het Onderhandelaarsakkoord CAO UMC 2005-2007. Hieruit vloeit voort dat aan appellant een uitkering wordt toegekend voor de duur van 2 maanden ter hoogte van 75% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, 36 maanden ter hoogte van 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag en 8 maanden ter hoogte van 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag, aldus - enigszins samengevat - de Overeenkomst.
1.3. Bij besluit van 10 november 2008 heeft het bestuur appellant per 1 december 2008 eervol ontslag verleend. Bij besluit van 13 januari 2009 is aan appellant, ter uitvoering van de Overeenkomst, met ingang van 1 december 2008 een bovenwettelijke (“naastwettelijke”) uitkering toegekend tot 1 september 2017, zijnde de eerste dag van de maand waarin hij de 65 jarige leeftijd bereikt. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt wat betreft het daarin vermelde dagloon. Dit bezwaar is bij besluit van 24 april 2009 gegrond verklaard en het dagloon is aangepast.
1.4. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het bestuur het besluit van 13 januari 2009 gewijzigd, in die zin, dat de einddatum van de bovenwettelijke uitkering is bepaald op 1 oktober 2012. Daartoe is overwogen dat de duur van de uitkering conform de Overeenkomst is bepaald op 3 jaar en 10 maanden. Bij het thans bestreden besluit van 12 augustus 2009 heeft het bestuur het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Uit de hiervoor onder 1.2 weergegeven bepalingen van de Overeenkomst volgt dat de duur van de bovenwettelijke uitkering in totaal 46 maanden (3 jaar en 10 maanden) zal bedragen. Het betreft hier een minnelijke regeling ter zake van de uitoefening van de aan het bestuur toekomende ontslagbevoegdheid, waaraan beide partijen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel zijn gebonden (CRvB 4 november 2004, LJN AR6107 en TAR 2005, 8). Het wijzigingsbesluit van 28 mei 2009 is hiermee in overeenstemming.
3.2. Het betoog van appellant komt erop neer dat met de Overeenkomst is beoogd toepassing te geven aan de per 1 januari 2007 geldende ambtelijke rechtspositieregeling. De tekst van de Overeenkomst is echter niet in overeenstemming met hetgeen voortvloeit uit die rechtspositieregeling, zoals deze uiteindelijk tot stand is gekomen. Ten onrechte is alleen rekening gehouden met de diensttijd vanaf 1 oktober 2000 bij de EUR en het Erasmus MC. Ook de daaraan voorafgegane periode bij de RUL moet worden meegeteld. Dit betekent een uitkering tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het oorspronkelijke toekenningsbesluit van 13 januari 2009 was dus juist en is ten onrechte gewijzigd, aldus appellant.
3.2.1. De Raad stelt vast dat de in de Overeenkomst genoemde RBWAZ met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2006 is vervangen door de Buitenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC). Daarbij is onder meer uitvoering gegeven aan punt 9 van het eveneens in de Overeenkomst genoemde Onderhandelaarsakkoord CAO UMC 2005 2007.
Wat betreft het hier aan de orde zijnde begrip diensttijd was in het Onderhandelaars-akkoord afgesproken dat zou tellen “de diensttijd bij het UMC en haar rechtsvoorgangers (o.a. medische faculteit) en perioden waarin men vanuit het UMC gedetacheerd is”. In artikel 1.2 van de BWUMC is het begrip diensttijd omschreven als “de tijd gedurende welke de betrokkene een dienstverband heeft gehad bij een UMC, waaronder begrepen een dienstverband bij een rechtsvoorganger”.
3.2.2. Blijkens de gedingstukken gaan beide partijen ervan uit dat de tekst van het BWUMC van toepassing is en deze een verruiming inhoudt ten opzichte van het Onderhandelaarsakkoord. Als diensttijd geldt niet alleen de tijd die is doorgebracht bij “het” UMC waarbij de ambtenaar laatstelijk in dienst was en de rechtsvoorgangers van dat UMC, maar tellen - voor zover hier van belang - alle perioden mee waarin de ambtenaar in dienst was van “een” UMC, waar ook in Nederland, of een rechtsvoorganger van zo'n UMC.
De Raad zal partijen in deze vooronderstelling volgen. Hij tekent daarbij aan dat een ambtenaar aan een onderhandelingsakkoord op zichzelf geen rechtspositionele aanspraken ontleent, maar dat zulke aanspraken voortvloeien uit de rechtspositieregeling - in dit geval de BWUMC - die door het bevoegd gezag is vastgesteld.
3.2.3. De Raad is echter, met het bestuur, van oordeel dat de ruimere tekst van het BWUMC geen basis biedt om de door appellant bij de RUL doorgebrachte tijd mede als diensttijd aan te merken. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de DVM - de dienst waarbij appellant in Leiden werkzaam was - moet worden aangemerkt als een algemene, centrale dienst van de RUL, die in beginsel werkzaamheden verrichtte voor alle instellingen van de universiteit. Het ligt voor de hand dat daarbij in de praktijk de nadruk lag op de bèta-instellingen, waaronder de medische faculteit en het academisch ziekenhuis, maar daarin is onvoldoende grond gelegen om de DVM aan te merken als “rechtsvoorganger” van het huidige Leidse UMC in de zin van artikel 1.2 van de BWUMC. Daarvoor is, zoals ook besloten ligt in de onder 3.2.1 aangehaalde tekst van het Onderhandelaarsakkoord, een nauwer en meer rechtstreeks verband vereist tussen een bepaald onderdeel van de universitaire organisatie en het latere UMC. De stelling van appellant dat de DVM als zodanig en in zijn geheel in het Leidse UMC is opgegaan, acht de Raad op voorhand niet aannemelijk. Nu appellant voor deze stelling geen begin van bewijs heeft aangedragen, moet eraan worden voorbijgegaan.
3.2.4. Reeds hierom faalt het beroep van appellant op de strekking van de Overeenkomst. Het bestuur heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, wat betreft de duur van de bovenwettelijke uitkering, aan de tekst van de Overeenkomst moet worden vastgehouden.
3.3. Dit betekent dat het wijzigingsbesluit van 28 mei 2009 is aan te merken als het herstel van een bij het toekenningsbesluit van 13 januari 2009 gemaakte fout. Volgens vaste rechtspraak is zo’n herstel geoorloofd indien en voor zover de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, zich er niet tegen verzetten (CRvB 9 december 2004, LJN AR8554). Van strijd met zo'n beginsel is in het geval van appellant geen sprake. Reeds in zijn bezwaarschrift tegen het toekenningsbesluit heeft appellant uitdrukkelijk blijk gegeven te onderkennen dat de daarin genoemde einddatum van 1 september 2017 aanzienlijk afweek van hetgeen in de Overeenkomst was bepaald. Dat het bestuur zich in de beslissing op dit bezwaar niet over de duur van de uitkering heeft uitgelaten, kon bij appellant niet het gerechtvaardigde vertrouwen doen postvatten dat daarop niet zou worden teruggekomen. De omvang van het bezwaar was immers tot de hoogte van het dagloon beperkt. Nu het bestuur ongeveer een maand later, en slechts vierenhalve maand na het nemen van het toekenningsbesluit, tot de correctie van de uitkeringsduur is overgegaan, kan appellant niet met vrucht staande houden dat de rechtszekerheid geweld is aangedaan.
3.4. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de hardheidsclausule ter zake van de reorganisatie en de overgang van EUR naar Erasmus MC kan evenmin slagen. Deze hardheidsclausule ziet immers niet op de hier van belang zijnde eerdere overstap van appellant - in het kader van een reguliere sollicitatieprocedure - van de RUL naar de EUR.
3.5. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2011.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) K. Moaddine.