ECLI:NL:CRVB:2011:BS8885

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5914 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 WAOArt. 7b WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onveranderde psychische en rugklachten

Appellant, voormalig productiemedewerker textiel, heeft sinds 1977 een WAO-uitkering wegens psycho-somatische klachten en rugklachten. In 2009 verzocht hij om herziening van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vanwege vermeende toename van longklachten. Het UWV weigerde herziening na medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat de oorspronkelijke klachten niet in ernst waren toegenomen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de beperkingen passend waren binnen de vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FMLI). Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rugklachten onvoldoende waren meegewogen en vroeg om benoeming van een deskundige.

De Raad overwoog dat de beperkingen voortvloeiend uit psychische en rugklachten niet waren toegenomen en dat er geen medische stukken waren die dit tegenspraken. De geschiktheid voor de geselecteerde functies was adequaat gemotiveerd en appellant had onvoldoende onderbouwd waarom de functiebelasting zijn belastbaarheid zou overschrijden.

De Raad zag geen reden tot benoeming van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het bezwaar tegen het besluit van het UWV ongegrond bleef.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

10/5914 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 september 2010, 09/8095 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 29 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Dielbandhoesing. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.F. Beer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker textiel. In verband met psycho-somatische klachten zijn hem per 10 november 1977 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 oktober 1978 zijn de uitkeringen herzien naar de klasse 35 tot 45%.
1.2. In 2009 heeft appellant het Uwv verzocht te bezien of er aanleiding is tot herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage in verband met een verhoogde arbeidsongeschiktheid ten gevolge van longklachten. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de verzekeringsarts appellant op het spreekuur gezien, lichamelijk onderzoek en dossierstudie verricht en geconcludeerd dat de oorspronkelijke klachten, te weten rugklachten die geacht worden in verband te staan met de psyche, nog steeds bestaan maar deze niet in ernst zijn toegenomen en dat de functiestoornissen van de lagere luchtwegen buiten beschouwing dienen te blijven omdat deze zijn ontstaan op een moment dat appellant niet meer voor de WAO verzekerd was. Van het invullen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd afgezien. Overeenkomstig de uitkomst van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2009 geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien.
1.3. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft er een medische en arbeidskundige heroverweging plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft de hoorzitting bijgewoond en het dossier bestudeerd en geconcludeerd dat sprake is van een verminderde belastbaarheid op basis van COPD met een verhoogde gevoeligheid voor prikkelende gassen/dampen. De beperkingen van de rug vallen zijns inziens binnen die van de verminderde fysieke belastbaarheid voortvloeiende uit de longfunctie. Met betrekking tot het psychische beeld acht hij een lichte beperking ten aanzien van piekbelasting aanwezig. Voorts is hij van oordeel dat de belastbaarheid in algehele zin, dus inclusief longproblematiek, moet worden beoordeeld aan de hand van een daartoe opgestelde FML (hierna: FMLI) en indien dit leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage, dient bij de beoordeling van de belastbaarheid alleen rekening te worden gehouden met de beperkingen voortvloeiende uit de psychische gesteldheid, zoals neergelegd in FMLII, omdat appellant alleen daarvoor verzekerd was. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) op basis van FMLI heeft de bezwaararbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan appellant in staat is geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45%. Omdat dit dezelfde klasse is als waarnaar de WAO-uitkering wordt ontvangen, heeft een schatting op basis van FMLII niet plaats gevonden. Overeenkomstig de uitkomsten van het onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat er onvoldoende onderbouwing is voor de stelling dat appellant eerder dan vanaf 1989 longklachten heeft. Omdat onbetwist vaststaat dat appellant na 1 augustus 1979 niet meer in Nederland heeft gewerkt, is de rechtbank van oordeel dat appellant voor andere, latere klachten, niet WAO verzekerd is geweest. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende medische onderbouwing is voor de stelling dat de psychische klachten van destijds zijn toegenomen en thans onvoldoende zijn meegewogen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige en uitgaande van de beperkingen zoals vastgesteld in FMLI, de belastbaarheid van de geduide functies past binnen de belastbaarheid van FMLI.
3. Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat partijen erover van mening verschillen waaruit de oorspronkelijke klachten van appellant hebben bestaan op 1 oktober 1978, welke klachten hebben geleid tot herziening van de WAO-uitkering naar 35 tot 45%. Volgens appellant kan uit het dossier worden afgeleid dat destijds niet alleen sprake was van psychische klachten, maar ook van rugklachten. Deze klachten acht appellant in onvoldoende mate meegewogen in de FML. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de longklachten van appellant niet langer ter discussie staan. Voorts heeft hij de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Aan het bestreden besluit is artikel 37 van Pro de WAO ten grondslag gelegd. Ingevolge het eerste lid van dat artikel vindt ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. In artikel 37, tweede lid, van de WAO is bepaald, dat de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaatsvindt indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
4.3. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de longklachten op 1 oktober 1978, het moment waarop de uitkering van appellant voor het eerst werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, geen rol hebben gespeeld bij die arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
4.4. De Raad dient derhalve in te gaan op de vraag of de uit appellants psychische klachten en rugklachten voortvloeiende beperkingen, al dan niet verzekerd zijn als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de WAO en of die leiden tot een toeneming van de arbeidsongeschiktheid. In dat verband is van belang dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten, die aan het toekenningsbesluit van 6 januari 1978 en aan het herzieningsbesluit van 22 december 1978 ten grondslag hebben gelegen, duidelijk blijkt dat toen sprake was van psycho-somatische klachten en daaruit voortvloeiende (a-specifieke) rugklachten. De Raad wijst daarbij in het bijzonder op de GAK-rapporten van 2 maart 1977 en van 15 maart 1977, waaruit naar voren komt dat sprake was van psycho-somatische klachten en rugklachten, welke klachten bij onderzoek in het Diaconessenziekenhuis niet te objectiveren waren. De verzekeringsartsen hebben na hun onderzoek op grond van alle beschikbare gegevens geconcludeerd dat de psychische klachten en de rugklachten en de hieruit voortvloeiende beperkingen niet in ernst zijn toegenomen. Evenals de rechtbank heeft de Raad, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken, geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van deze artsen. Appellant heeft geen medische stukken in het geding gebracht waaruit zou kunnen blijken dat hij vanwege zijn psychische klachten en/of rugklachten zwaarder dan wel anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Dit betekent dat FMLI bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid terecht maatgevend is geacht.
4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.4 ziet de Raad geen aanleiding om tot benoeming van een onafhankelijk deskundige over te gaan.
4.6. Wat betreft de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies, alsmede de motivering van de signaleringen bij die functies, overweegt de Raad het volgende. Aan de schatting zijn ten grondslag gelegd de functies van produktiemedewerker industrie, magazijn/expeditiemedewerker en produktiemedewerker textiel, geen kleding. De Raad is met de rechtbank en op dezelfde gronden als zij heeft gebezigd van oordeel dat deze functies voor appellant, gelet op FMLI, geschikt zijn en dat dit afdoende is gemotiveerd in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige. Nu appellant in hoger beroep niet nader heeft vermeld op welke punten de belasting in de voorgehouden functies niet overeenkomt met de in FMLI vastgestelde belastbaarheid van appellant dan wel onvoldoende is gemotiveerd dat de functiebelasting de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt, ziet de Raad geen aanleiding hieraan verdere overwegingen te wijden.
4.7. Uit het onder punt 4.2 tot en met 4.6 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM