ECLI:NL:CRVB:2011:BS8893

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6894 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft tegen het besluit van het UWV hoger beroep ingesteld waarin hij stelt dat zijn gezondheidssituatie niet is verbeterd en dat hij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is. Hij betwistte de geschiktheid van de voor hem geduide functies en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, wat door de rechtbank werd afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. De Raad acht het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en concludeert dat er sinds de laatste beoordeling op 29 augustus 2006 sprake is van een positieve wijziging in de gezondheidstoestand van appellant. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt toe dat de vastgestelde functies passend zijn bij appellants opleiding en beperkingen.

Appellant heeft zijn stellingen niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd, waardoor het hoger beroep niet slaagt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 september 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/6894 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2010, 09/5460 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan, van 21 januari 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veldt. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 23 oktober 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 8 juli 2009, nadat hiertegen bezwaar was gemaakt, gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 april 2009 herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is. Hij stelt zich - evenals in beroep - op het standpunt dat niet is gebleken dat zijn gezondheidssituatie is verbeterd sinds zijn laatste beoordeling waarbij hij door het Uwv voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht. Een onafhankelijk onderzoek had licht kunnen werpen op de juistheid van zijn stelling, maar de rechtbank heeft zijn verzoek tot benoeming van een deskundige ten onrechte gepasseerd. Tot slot heeft appellant gesteld dat gelet op zijn beperkingen en het voor hem geldende opleidingsniveau de voor hem geduide functies niet geschikt zijn.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in essentie geen nieuwe gezichtspunten. Hetgeen appellant daaromtrent heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.
4.3. Appellant lijkt zijn stelling dat er geen sprake is van een gewijzigde gezondheidssituatie te beredeneren vanuit het feit dat hij bij besluit van 14 februari 2008 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht en er zich sindsdien geen wezenlijke wijzigingen hebben voorgedaan in zijn medische situatie. Daarbij ziet appellant er echter aan voorbij dat het besluit van 14 februari 2008, welk besluit is genomen naar aanleiding van een bezwaar tegen de herziening van appellants WAO-uitkering per 29 augustus 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, zag op de toen in geding zijnde datum van 29 augustus 2006. Gelet op het feit dat appellant van 28 augustus 2006 tot 2 september 2006 in het ziekenhuis was opgenomen in verband met de plaatsing van een stent, hij na een maand opnieuw hartklachten kreeg en op
21 maart 2007 bleek dat proximaal van de stent sprake was van een restenose, waarop plaatsing van een aanvullende stent nodig was, was de bezwaarverzekeringsarts destijds van oordeel dat er op 29 augustus 2006 sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts heeft toen - met het oog op het te verwachten herstel - ook voorgesteld om een herbeoordeling op korte termijn uit te voeren. Dat dit niet is geschied betekent echter niet dat er na 29 augustus 2006 geen sprake kan zijn geweest van een wijziging in appellants gezondheidssituatie, zoals de gemachtigde van appellant lijkt te veronderstellen. Uit het gemotiveerde rapport van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt de Raad genoegzaam dat deze de gezondheidstoestand van appellant op 9 september 2009, de hier in geding zijnde datum, in positieve zin gewijzigd acht ten opzichte van 29 augustus 2006. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door de (bezwaar)verzekeringsarts verrichte onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn stelling dat hij gelet op zijn medische situatie nog steeds volledige arbeidsongeschiktheid is, niet met medische gegevens onderbouwd.
4.4. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat uitgaande appellants opleiding en de voor appellant vastgestelde beperkingen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn.
4.5. Uit 4.1 tot 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Bijgevolg moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM