ECLI:NL:CRVB:2011:BS8896

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5603 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op besluit intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering WAZ

Appellant had een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) die per 1 januari 2001 werd ingetrokken door het UWV vanwege vermoedens van onrechtmatigheid. Appellant verzocht meerdere malen om terug te komen op dit besluit, stellende dat de uitkering van een particuliere verzekeraar ten onrechte was meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat voor terugkomen op een eerder besluit nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vereist zijn en dat de door appellant aangevoerde gegevens reeds bekend waren bij het oorspronkelijke besluit. Ook de vermeende onzorgvuldigheid en onvoldoende motivering van het besluit werden door de rechtbank verworpen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

10/5603 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 augustus 2010, 10/549 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 5 juli 2001 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 11 september 2002 heeft het Uwv appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.
1.2. Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft het Uwv appellants uitkering per 1 september 2006 geschorst vanwege het vermoeden dat appellant, gelet op de hoogte van zijn inkomen, geen recht meer heeft op een uitkering. Nadat appellant niet had gereageerd op drie achtereenvolgende verzoeken van het Uwv om hem de inkomensgegevens vanaf
1 januari 2001 tot de datum van het verzoek te verstrekken, heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2006 appellants uitkering per 1 januari 2001 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Vervolgens heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2006 teruggevorderd. Bij brief van 26 april 2007 heeft appellant inkomensgegevens over de jaren 2001 tot en met 2006 overgelegd. Deze brief is door het Uwv aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 november 2006. Bij besluit van 6 december 2007 heeft het Uwv op basis van een rapport van een arbeidsdeskundige van het Uwv dit verzoek afgewezen. Uit het ingestelde onderzoek door de arbeidsdeskundige is volgens het Uwv niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 22 november 2006. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.3. Bij brief van 16 november 2009 heeft appellant opnieuw een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 november 2006 ingediend. Appellant is van mening dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die hij van een particuliere verzekeraar heeft gekregen, ten onrechte in aanmerking is genomen bij de berekening van zijn inkomen en dat hij de WAZ-uitkering terecht heeft ontvangen. Bij besluit van 21 december 2009 heeft het Uwv het verzoek afgewezen op de grond dat de door appellant in het verzoek genoemde gronden niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In bezwaar heeft appellant gronden aangevoerd waaruit volgens hem blijkt dat het besluit van 22 november 2006 onjuist is. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2009 is bij besluit van 22 maart 2010 ongegrond verklaard.
2. In beroep tegen het besluit van 22 maart 2010 heeft appellant wederom aangevoerd dat het besluit van 22 november 2006 onjuist is. Voorts heeft hij betoogd dat het besluit van 22 maart 2010 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De arbeidsdeskundige heeft, zo stelt appellant, reeds in zijn rapport van 9 juli 2002 melding gemaakt van een uitkering van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Het Uwv is hier ten onrechte niet meer op teruggekomen en heeft niet onderzocht in hoeverre de uitkering van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van invloed zou zijn op de WAZ-uitkering.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 22 maart 2010 ongegrond verklaard.
3.1. De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, blijkend onder meer uit de uitspraak van 6 november 2003, LJN AN7838, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. De (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt, zo heeft de rechtbank overwogen, op zichzelf geen beslissende rol volgens de uitspraak van de Raad van 4 december 2003, LJN AN9805.
3.2. Aangezien appellant met ingang van het jaar 2007 geen aanspraak maakt op een uitkering en zijn verzoeken en het beroep zich kennelijk ook beperkt tot de weigering terug te komen van het eerder genomen besluit voor wat betreft de periode vóór 2007, heeft de rechtbank geen oordeel gegeven over de vraag of het Uwv aan appellant ten onrechte geen aanspraak heeft toegekend na 1 januari 2007.
3.3. Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of hetgeen appellant heeft aangevoerd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatte als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak is sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb indien de feiten en omstandigheden waarop aanvrager zich beroept, niet bekend waren ten tijde van het eerdere besluit. Daarnaast dient het te gaan om feiten en omstandigheden van zodanige aard, dat zij in beginsel aanleiding geven tot een inhoudelijk ander besluit. Indien kan worden gesproken van nieuw gebleken feiten of omstandigheden moet het Uwv het verzoek in behandeling nemen en vervolgens de betekenis van de nieuw gebleken feiten en omstandigheden onderzoeken, aldus de rechtbank.
3.4. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant eerst na het besluit van 22 november 2006 gegevens heeft overgelegd over zijn particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering, uit welke gegevens blijkt dat hij van 31 december 1998 tot en met 8 april 2004 van de particuliere verzekeraar een uitkering ontving. Die gegevens waren echter ten tijde van het besluit van 22 november 2006 reeds geruime tijd bekend. Tevens was toen al bekend dat appellant de uitkeringsbedragen stortte op de rekening van zijn besloten vennootschap. Appellant heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om bezwaar te maken tegen het besluit van 22 november 2006, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank is van oordeel dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit van 22 november 2006. Het Uwv was dan ook bevoegd om onder toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb het verzoek om herziening af te wijzen.
4.1. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad stelt vast dat de rechtbank uitgaande van de juiste feiten en onder toepassing van het juiste toetsingskader tot haar oordeel is gekomen. Hij onderschrijft dat oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals weergegeven in 3.1 tot en met 3.4, die daaraan ten grondslag zijn gelegd.
4.2. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank onzorgvuldig te werk is gegaan en haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze stelling van appellant is niet gemotiveerd. De Raad gaat daaraan dan ook voorbij.
4.3. Hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR