ECLI:NL:CRVB:2011:BT1734

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5980 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugwerkende kracht Wajong-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval

Appellante verzocht het UWV om een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf een datum eerder dan één jaar voor haar aanvraag. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 1 april 2008, maar wees een verdere terugwerkende kracht af omdat appellante niet tijdig had aangevraagd en onbekendheid met de Wajong-regeling geen bijzondere omstandigheid vormt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij al in een vroeg stadium had kunnen begrijpen dat haar aandoening haar arbeidsvermogen beperkte en dat zij zich in 1990 al had kunnen oriënteren op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas eind 2008 of begin 2009 de juiste diagnose kreeg en toen pas wist dat zij recht had op de uitkering.

De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak alleen in bijzondere gevallen, zoals onvermogen om tijdig een aanvraag te doen of pas later duidelijk zicht op de ernst van de aandoening, het UWV kan afwijken van de terugwerkende kracht van één jaar. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval. Onbekendheid met de wetgeving vormt geen grond voor terugwerkende kracht. Het hoger beroep wordt dan ook verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitkering wordt niet met meer dan een jaar terugwerkende kracht toegekend.

Uitspraak

10/5980 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 oktober 2010, 09/1908 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 april 2008 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor datum aanvraag, dat van deze regel kan worden afgeweken wanneer betrokken verzekerde door bijzondere omstandigheden niet eerder kon aanvragen, maar dat de door appellante opgegeven reden dat zij de uitkering niet eerder heeft aangevraagd, te weten dat zij onwetend was met betrekking tot het bestaan van de Wajong, niet als zodanige bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.
1.3. Het door appellante tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar betreft uitsluitend de ingangsdatum van de uitkering. Zij heeft, onder verwijzing naar haar levensverhaal en het oordeel van de GGD en andere behandelaars, aangevoerd dat zij – zo vat de Raad de stelling van appellante samen – destijds niet bekend was met de mogelijkheden om een uitkering te verkrijgen en ook buiten staat was om zelf de daartoe benodigde stappen te ondernemen. Bij besluit van 22 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juli 2009, in navolging van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen, zoals neergelegd in de rapportage van 9 september 2009, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval. Volgens de rechtbank blijkt niet alleen uit appellantes levensverhaal, maar ook uit de onderzoeksbevindingen van de GGD, dat appellante al in een vroeg stadium heeft kunnen begrijpen dat haar aandoening aanzienlijke beperkingen met zich bracht wat betreft haar functioneren in loonvormende arbeid. Nu uit de stukken voorts naar voren komt dat appellante in 1990 wel in staat is geweest om een bijstanduitkering aan te vragen, had appellante zich, naar het oordeel van de rechtbank, toentertijd al kunnen oriënteren op de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De rechtbank heeft daarbij nog overwogen dat onbekendheid van het bestaan van een dergelijke uitkering, zoals door appellante in haar aanvraag is aangegeven, geen reden is om van een bijzonder geval te spreken.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling gehandhaafd dat er sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv er toe had moeten overgaan om eerder dan met ingang van 1 april 2008 Wajong-uitkering toe te kennen. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat zij eerst eind 2008, begin 2009 te horen heeft gekregen dat haar arbeidsongeschiktheid toe te schrijven was aan de periode vóór haar meerderjarigheid. Toen pas begin 2009 de juiste diagnose werd gesteld ontstond bij appellante de wetenschap dat zij wellicht recht had op een Wajong-uitkering. Appellante verwijst wederom naar de uitspraak van de Raad van 24 februari 2010, LJN BL5751.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In artikel 29, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. In afwijking hiervan kan op grond van het tweede lid van dit artikel de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.
4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien betrokkene ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Een dergelijke situatie kan aan de orde zijn indien betrokkene buiten staat was tijdig een aanvraag in te dienen of indien bij betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid.
4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt zich achter hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellante met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen. Uit de beschikbare gegevens is niet gebleken dat de aandoening van appellante van zodanige aard en ernst is dat bij haar sprake is geweest van onvermogen om tijdig een aanvraag in te dienen. De Raad is voorts van oordeel dat appellante al veel eerder dan datum aanvraag moet hebben kunnen beseffen dat haar gezondheidstoestand aanzienlijke beperkingen met zich bracht wat betreft haar functioneren in het algemeen en in loonvormende arbeid in het bijzonder. In dit verband is tenslotte ook niet zonder belang dat appellante zich in 1990 al tot de gemeente heeft gewend om een aanvraag te doen voor een bijstandsuitkering. De van de zijde van appellante aangevoerde omstandigheid dat de (juiste) diagnose kennelijk pas eind 2008, begin 2009, is gesteld maakt dit niet anders. Zoals reeds ter zitting aan de orde gesteld, zijn de feiten in de uitspraak van de Raad van 24 februari 2010, LJN BL5751, waar appellante in dit verband wederom een beroep op doet, niet vergelijkbaar met de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert onbekendheid met de wet geen bijzonder geval op. Appellante heeft in haar bezwaarschrift aangegeven dat zij pas een aanvraag tot een Wajong-uitkering heeft ingediend nadat maatschappelijk werk haar had gewezen op de mogelijkheid van een Wajong-uitkering. Deze gang van zaken onderstreept dat met name onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden bij appellante in de weg heeft gestaan tot het doen van een tijdige aanvraag.
5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.L. Schoor.