ECLI:NL:CRVB:2011:BT2606

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-787 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van rechtens onaantastbaar UWV-besluit op grond van ontbreken nieuwe feiten

Appellant, voormalig medewerker drukkerij, meldde zich in 2003 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV weigerde in 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. Na een recidief psychose in 2006 werd appellant alsnog volledig arbeidsongeschikt verklaard en kreeg hij een WAO-uitkering toegekend met ingang van april 2006.

Appellant verzocht in 2008 om herziening van het oorspronkelijke besluit van 2004, stellende dat er sprake was van nieuwe feiten, namelijk de psychose in 2006. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. Zowel de bezwaar- als de beroepsprocedure bevestigden dit standpunt.

De rechtbank oordeelde dat de psychose in 2006 geen nieuw feit was in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, maar een verergering van de reeds bestaande aandoening. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees ook de aanvullende argumenten van appellant af, waaronder persoonlijke problemen die geen verband hielden met het verzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het rechtens onaantastbare UWV-besluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/787 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2010, 09/2597 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 19 maart 2010.
Bij brief van 23 augustus 2010 heeft mr. Schreurs zich teruggetrokken als gemachtigde van appellant.
Appellant heeft bij brief van 6 september 2010 zijn standpunt nader toegelicht. Hierop heeft het Uwv gereageerd met inzending van een rapport van Deitz van 7 januari 2011.
Appellant heeft bij brief van 12 augustus 2011 – met bijlagen – zijn standpunt verder toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011.
Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als medewerker drukkerij toen hij zich op 26 juni 2003 ziek meldde als gevolg van psychische klachten. Na medisch onderzoek, dat leidde tot vaststelling van een Functionele Mogelijkheden Lijst met beperkingen in onder andere de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren), en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2004 appellant met ingang van 23 mei 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Het tegen dit besluit door appellant bij brief van 19 april 2008 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 25 juni 2008 bij uitspraak van 15 januari 2009, 08/3195, ongegrond.
1.2. Appellant is op 7 maart 2006 met een recidief psychose uitgevallen uit zijn sedert 5 maart 2005 verrichte werkzaamheden als productiemedewerker via een uitzendbureau. Bij medisch onderzoek op 14 augustus 2006 werd appellant volledig arbeidsongeschikt geacht en het Uwv kende appellant bij besluit van 18 augustus 2006 met ingang van 4 april 2006 een volledige WAO-uitkering toe. Na een medische herbeoordeling op 14 mei 2007 heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2007 de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd gelaten.
2. Appellant heeft bij brief van 10 juli 2008 het Uwv verzocht het besluit van 11 mei 2004 te herzien. De arts W.J.M. Jansen heeft in een rapport van 23 september 2008 aangegeven dat het ten tijde van het medisch onderzoek van 18 maart 2004 bekend was dat appellant, zoals gesteld in zijn verzoek, leed aan een ernstige psychiatrische stoornis en dat het hem ontbrak aan ziekteinzicht en ziektebesef. Vervolgens besloot Het Uwv op 24 september 2008 niet terug te komen van zijn besluit van 11 mei 2004 omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn waardoor laatstgenoemd besluit onjuist zou zijn.
3. In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten in een rapport van 15 april 2009 de visie van Jansen en deelde hij niet het standpunt van appellant dat de psychose in 2006 een nieuw gezichtspunt oplevert ten opzichte van de medische beoordeling in maart 2004. De diagnose was, aldus Joosten, bekend en appellant was gedurende meer dan een jaar voor zijn uitval in maart 2006 werkzaam. Bij besluit van 14 mei 2009 verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 24 september 2008 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond.
4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 14 mei 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4.2. De rechtbank heeft overwogen dat het toetsingskader bij een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als het besluit van 11 mei 2004 wordt bepaald door artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft dit toetsingskader als volgt weergegeven:
“Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van Pro de Awb staat daar niet aan in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.
De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.”
4.3. De rechtbank heeft – na weging van de rapporten van Jansen en Joosten – geoordeeld dat de psychose van appellant in 2006 geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Die psychose betekende naar het oordeel van de rechtbank niet dat appellant ook per 23 mei 2004 ongeschikt was tot werken maar zegde veeleer iets over het verloop van de kennelijk nadien verergerde ziekte van appellant. Voorts heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 mei 2007 (LJN BA6732) – de in beroep overgelegde stukken, voor zover deze niet bekend waren bij het Uwv, buiten de beoordeling van het bestreden besluit gelaten.
5. In hoger beroep heeft de voormalige gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunten in essentie herhaald.
6.1. De Raad onderschrijft het in rechtsoverweging 4.3 samengevat weergegeven oordeel van de rechtbank en voegt daaraan toe dat ook in de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brieven van appellant van 6 september 2010 en 12 augustus 2011 geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat het verzoek van appellant voldoet aan het door de rechtbank terecht gehanteerde toetsingskader, zoals dat in rechtsoverweging 4.2 is weergegeven. De Raad stelt ten slotte vast dat, zoals ook ter zitting aan de orde is gesteld, in deze brieven ook is ingegaan op de problemen die appellant heeft ondervonden in verband met de asielaanvraag van zijn partner, met de gemeente Tilburg naar aanleiding van een aanvraag om bijzondere bijstand, met de reclassering en met het binnentreden in zijn woning door de politie in mei 2010. Deze problemen, wat daar verder van zij, hebben echter geen verband met het in deze uitspraak aan de orde zijnde verzoek van appellant.
6.2. Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.