ECLI:NL:CRVB:2011:BT2787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4701 WMO-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen weigering persoonsgebonden budget niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Verzoekster, vertegenwoordigd door haar vader, stelde bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor een plafondlift. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard door het College wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de overschrijding niet verschoonbaar was. De vader van verzoekster was in het ziekenhuis opgenomen vanwege een ernstige infectie, maar aangezien de moeder tevens bewindvoerder en mentor van verzoekster is, had zij het bezwaar kunnen indienen. Bovendien bleek dat de vader tijdens de ziekenhuisopname wel in staat was een ander bezwaarschrift op te stellen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Alkmaar bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

11/4701 WMO-VV
11/3217 WMO
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoekster], wettelijk vertegenwoordigd door haar vader [naam vader], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2011, 11/235 en 11/236 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen
Datum uitspraak: 19 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2011. Voor verzoekster is haar vader, [naam vader] (hierna: [naam vader]), verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink, werkzaam bij de gemeente Enkhuizen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Het College heeft verzoekster op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bij besluit van 20 mei 2009 in aanmerking gebracht voor een woonvoorziening, te weten een uitbreiding van het plafondliftsysteem in natura. Bij brief van 18 juni 2010 heeft [naam vader] namens verzoekster verzocht om toekenning van een persoonsgebonden budget voor de gemaakte en toekomstige kosten van de plafondlift en het onderhoud daarvan. Bij besluit van 6 augustus 2010, verzonden op 9 augustus 2010, heeft het College de voornoemde aanvraag van verzoekster van 18 juni 2010 afgewezen.
2.2. Tegen het besluit van 6 augustus 2010 heeft [naam vader], namens verzoekster, bij brief van 1 oktober 2010 bezwaar gemaakt, dat blijkens het poststempel op 7 oktober 2010 door het College is ontvangen. Bij brief van 6 december 2010 heeft de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Enkhuizen verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken om welke reden het bezwaarschrift niet binnen de daartoe geldende termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit is ontvangen. Bij brief van 21 december 2010 heeft [naam vader] onder meer aangegeven dat hij wegens ziekte niet in staat is geweest het bezwaarschrift tijdig in te dienen.
2.3. Bij besluit van 27 december 2010 heeft het College de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 6 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet verschoonbaar overschrijden van de bezwaartermijn.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, geoordeeld dat het bezwaarschrift van verzoekster te laat is ingediend zodat het College het terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Verzoekster heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaarschrift van verzoekster niet binnen de daartoe geldende termijn van zes weken is ingediend. Het bezwaarschrift van verzoekster, gedateerd op 1 oktober 2010, is door het College op 7 oktober 2010 buiten de op 21 september 2010 geëindigde bezwaartermijn ontvangen.
5.2. De vraag die de voorzieningenrechter vervolgens dient te beantwoorden is of de namens verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden dienen te leiden tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
5.3. In verband met de overschrijding van de bezwaartermijn heeft [naam vader] aangevoerd dat hij onder behandeling was voor blaaskanker en in het ziekenhuis lag. In de verklaringen van huisarts H.J. Eggink van 24 mei 2011 en huisarts N.A. Terpstra van 6 september 2011 wordt bevestigd dat [naam vader] in september 2010, en derhalve in de laatste periode van de bezwaartermijn, in het ziekenhuis is opgenomen met een zeer ernstige infectie van zijn urinewegen. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voornoemde ziekenhuisopname in september 2010 van [naam vader] niet kan leiden tot verschoonbaarheid van de voormelde termijnoverschrijding. Ter zitting van de Raad is door [naam vader] meegedeeld dat zijn echtgenote eveneens bewindvoerder en mentor is van verzoekster, in welke hoedanigheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter van haar had kunnen worden verwacht om -bij afwezigheid van [naam vader]- namens verzoekster een bezwaarschrift in te dienen dan wel hulp van derden daartoe in te roepen. Voorts is uit de door [naam vader] ingediende stukken en de door hem ter zitting gegeven toelichting gebleken dat [naam vader] zelf in de voornoemde periode van de ziekenhuisopname in september 2010 wel in staat is gebleken om als wettelijk vertegenwoordiger van verzoekster op 19 september 2010 een bezwaarschrift in het kader van de Wet werk en bijstand op te stellen, dat vervolgens door zijn echtgenote ter post is bezorgd. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.
5.4. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder die omstandigheden geen aanleiding.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
op het verzoek om een voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 19 september 2011.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) P.J.M. Crombach.
RB