ECLI:NL:CRVB:2011:BT6993

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6918 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering bij voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellante is sinds januari 2001 arbeidsongeschikt en ontvangt vanaf januari 2002 een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling door een arts en arbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld tussen 55 en 65%. Appellante betwistte deze beoordeling en stelde dat haar beperkingen onderschat waren, met name dat zij slechts 3 uur per dag en 15 uur per week zou kunnen werken.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de Functionele Mogelijkheden Lijst aangepast en de urenbeperking geschrapt, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en verzocht om het raadplegen van een deskundige. De Raad stelde vast dat de berekening van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd was op een praktische schatting van het maatmanloon en de feitelijke verdiensten bij werkzaamheden van 3 uur per dag en 15 uur per week. De Raad vond geen aanleiding om de urenbeperking anders te beoordelen of een deskundige te raadplegen.

De Raad concludeerde dat de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering in de klasse 55 tot 65% juist was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering in de klasse 55 tot 65%.

Uitspraak

10/6918 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 november 2010, 10/2163 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.A.M. van Vlerken, advocaat te Geldrop, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 24 januari 2001 uitgevallen voor haar werk van medewerkster boekhouding. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is zij met ingang van 23 januari 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die, na een daartoe gevolgde bezwaarprocedure, berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In het kader van een herbeoordeling heeft de arts R. Ponsioen een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige B. van Gurp functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat wordt geacht, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt op 65 tot 80%. Voorts heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld op grond van sedert 2003 verrichte werkzaamheden. Een vergelijking van het maatmanloon met de feitelijk uit die werkzaamheden genoten verdiensten laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 59%. Aangezien deze zogeheten praktische schatting tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid leidt, is de resterende verdiencapaciteit aan de hand van de feitelijke verdiensten vastgesteld. Bij besluit van 8 april 2009 is de WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet naar de klasse 55 tot 65%.
2. In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Ter onderbouwing van dat standpunt is een medisch rapport in geding gebracht. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de door Ponsioen aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week niet ver genoeg gaat. Er zou een urenbeperking tot 3 uur per dag, 15 uur per week aangewezen zijn. Voorts is de geschiktheid van de voorgehouden functies bestreden. Op 7 augustus 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes de door Ponsioen opgestelde FML aangescherpt. De urenbeperking is door de bezwaarverzekeringsarts geschrapt, aangezien deze niet aangewezen werd geacht. Aansluitend heeft bezwaararbeidsdeskundige L. de Ponti enkele van de voorgehouden functies laten vervallen en vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, waarna het bezwaar bij besluit van 17 september 2009 (verder: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige beoordeling door het Uwv onderschreven.
4. In hoger beroep zijn de eerdere gronden van bezwaar en beroep herhaald en heeft appellante de Raad verzocht om een deskundige te raadplegen.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad stelt vast dat de gronden in hoger beroep gericht zijn tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante houdt staande dat haar beperkingen zijn onderschat - en in het bijzonder - dat zij in staat is tot hooguit een arbeidsverrichting van 3 uur per dag en 15 uur per week. De Raad overweegt dat het bestreden besluit gebaseerd is op een praktische schatting en berust op een vergelijking van het voor appellante geldende maatmanloon en de feitelijk door appellante genoten arbeidsinkomsten. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante tegen de door het Uwv gehanteerde bedragen op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend geen gronden heeft geformuleerd. De Raad stelt vast dat het Uwv bij die berekening is uitgegaan van de verdiensten die appellante ten tijde van belang in verband met haar werkzaamheden gedurende 3 uur per dag en 15 uur per week heeft genoten. De Raad vermag appellante dan ook niet te volgen in haar stelling dat het Uwv bij de berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende rekening heeft gehouden met de door haar voorgestane urenbeperking. Voorts stelt de Raad vast dat gesteld noch gebleken is dat de door appellante verrichte werkzaamheden in medisch opzicht niet passend zijn, in die zin dat appellante het werk - dat gedurende een aanzienlijke periode werd verricht - tot schade van haar gezondheid zou hebben verricht. Reeds de aanzienlijke duur van de arbeidsverrichting zou aan een deugdelijke conclusie in de weg staan. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65% niet juist zou zijn. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante tegen de door het Uwv gehanteerde bedragen op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend geen heeft gronden geformuleerd.
5.3. Uit 5.2 vloeit voort dat de Raad geen aanleiding ziet voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige.
5.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) N.S.A. El Hana.
NW