ECLI:NL:CRVB:2011:BT7673

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5069 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar uitkeringshoogte Wubo

Appellant, geboren in 1935, ontving sinds december 2000 een periodieke uitkering en toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 17 december 2009 werd de hoogte van zijn uitkering vastgesteld op €335,63 bruto per maand met ingang van 1 januari 2009. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen argumenten had aangevoerd die betrekking hadden op de vaststelling van de uitkeringshoogte.

In het beroep stelde appellant dat hij en zijn familie tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode in Nederlands-Indië veel leed hadden geleden, met blijvende psychische en lichamelijke gevolgen en hoge kosten. De Raad oordeelde dat deze argumenten niet relevant waren voor de hoogte van de uitkering zoals vastgesteld in het besluit van 17 december 2009, waarop het bezwaar betrekking had. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees op de mogelijkheid voor appellant om een aparte aanvraag in te dienen voor een tegemoetkoming in de kosten die verband houden met het door hem aangedragen leed. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R. Kooper, in aanwezigheid van griffier E. Heemsbergen, op 13 oktober 2011.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen de uitkeringshoogte is ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/5069 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 13 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 augustus 2010, kenmerk BZ01163281, BZ01 WUB 000049 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellant, geboren in 1935, zijn per 1 december 2000 een periodieke uitkering en een toeslag op grond van de Wubo toegekend. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder bepaald dat de uitkering met ingang van 1 januari 2009 € 335,63 bruto per maand bedraagt. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in de berekening van de uitkering geen onjuistheden zijn aangetroffen, dat appellant tegen die berekening geen argumenten heeft aangedragen en dat over de argumenten die hij wel heeft aangevoerd bij het besluit van 17 december 2009 geen beslissing is genomen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Zowel in bezwaar als in beroep heeft appellant uiteengezet welk leed hemzelf en zijn familie in het toenmalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en de daarop gevolgde Bersiap-tijd is aangedaan. Hij heeft gewezen op de verschrikkingen van die tijd en op de psychische en lichamelijke gevolgen die hij daarvan heeft overgehouden, in verband waarmee hij voor hoge kosten staat.
2.2. Met het besluit van 17 december 2009 heeft verweerder uitsluitend beslist over de hoogte van de - reeds toegekende - uitkering per 1 januari 2009. Evenals verweerder, is de Raad van oordeel dat geen van de door appellant aangedragen argumenten op de vaststelling van de hoogte van deze uitkering betrekking heeft. Over zaken waarop die argumenten wel betrekking zouden kunnen hebben, is in het besluit van 17 december 2009 niet beslist.
2.3. Verweerder heeft het bezwaar dan ook op goede gronden niet ontvankelijk verklaard. Het daartegen gerichte beroep van appellant is ongegrond.
2.4. Het staat appellant overigens vrij om bij verweerder een aanvraag in te dienen ter verkrijging van een tegemoetkoming in de onder 2.1 bedoelde kosten.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011.
(get.) R. Kooper.
(get.) E. Heemsbergen.