ECLI:NL:CRVB:2011:BT8653

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6695 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder nieuwe medische gegevens

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om niet terug te komen op de eerdere weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO. Het UWV had het besluit gehandhaafd omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en vastgesteld dat het besluit onherroepelijk was geworden. Tevens werd overwogen dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De door appellant aangevoerde gronden, waaronder zijn aanhoudende ziekte en vermeende volledige arbeidsongeschiktheid, vormen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een herziening rechtvaardigen.

De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om niet terug te komen op de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

10/6695 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] in Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2010, 10/147 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 3 maart 2011, 19 april 2011 en 21 augustus 2011 heeft appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 11 december 2009, waarbij het Uwv in bezwaar heeft gehandhaafd zijn besluit van 15 oktober 2009.
1.2. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 11 februari 2004, strekkende tot weigering appellant met ingang van 6 juni 1994 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
1.3. Het bestreden besluit berust op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die aanleiding geven terug te komen van het besluit van het - na daartegen gemaakt bezwaar bij besluit van 14 juli 2004 gehandhaafde - besluit van 11 februari 2004.
2.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat het besluit van 14 juli 2004 met de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2008 onherroepelijk is geworden.
2.2. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van de besluiten van 11 februari 2004 en 14 juli 2004 geen medische gegevens heeft overgelegd met nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.3. Naar het oordeel van de rechtbank was het Uwv daarom bevoegd om zonder nader onderzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 14 juli 2004.
3.1. De Raad stelt vast dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd een herhaling vormt van hetgeen hij bij zijn verzoek tot herziening van de besluiten van 11 februari 2004 en van 14 juli 2004, alsmede in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Samengevat weergegeven komt dit erop neer dat appellant stelt dat hij destijds tijdens werkzaamheden in Nederland wegens ziekte is uitgevallen, thans nog steeds ziek is en zijn gezondheidssituatie alleen nog maar achteruit gaat. Het Uwv zou een nieuw onderzoek moeten instellen naar zijn recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt en meent daarom recht te hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant naar voren heeft gebracht niet kan gelden als te dezen relevant te achten nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad overweegt dat hij zich volledig kan vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak daarover heeft overwogen en geoordeeld. De door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden, als hiervoor onder 3.1 in samenvatting weergegeven, bevatten geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.
3.3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.L. Schoor.
EK