ECLI:NL:CRVB:2011:BU1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders om bijstand terug te vorderen wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met mevrouw B. Gedurende de periode van 1 mei 2004 tot 17 september 2005 heeft appellant volgens het College en de rechtbank zijn hoofdverblijf gedeeld met mevrouw B., die bijstand ontving.
Appellant betwistte het voeren van een gezamenlijke huishouding en voerde aan dat zijn verklaringen inconsistent waren en dat observaties zonder toestemming van de Officier van Justitie niet als bewijs mochten dienen. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen van appellant, mevrouw B., en buren, evenals politiegegevens, voldoende bewijs vormden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad liet de vraag of de observaties zonder toestemming waren toegestaan in het midden, omdat de overige bewijzen toereikend waren. Omdat mevrouw B. haar inlichtingenplicht had geschonden door de samenwoning niet te melden, was het College bevoegd de bijstandskosten mede van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten wordt bevestigd.