ECLI:NL:CRVB:2011:BU3269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M. Hillen
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellant vroeg bijstand aan en gaf op dat hij woonachtig was op een adres waar ook zijn partner stond ingeschreven. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af op grond van het vermoeden dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner, aangezien zij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden werden aangemerkt en hetzelfde hoofdverblijf hadden.
Appellant stelde dat hij 'zwervend' was en op verschillende plaatsen sliep, maar kon dit niet met controleerbare stukken onderbouwen. De Raad stelde vast dat het College terecht uitging van het hoofdverblijf in dezelfde woning en dat appellant zijn enige bezit bij zijn partner had opgeslagen en bij haar had overnacht.
De Raad oordeelde dat appellant daardoor geen zelfstandig recht op bijstand had en dat het College de aanvraag terecht had afgewezen. Ook was er geen aanleiding voor het College om ambtshalve een uitkering op grond van de Adreslozenregeling te overwegen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor bijstand wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn partner.