ECLI:NL:CRVB:2011:BU5273

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/130 AW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:54 AwbArt. 18, tweede lid, aanhef en onder c, BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 13 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep wegens appelverbod in bestuursrecht

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, maar de Centrale Raad van Beroep verklaarde zich onbevoegd vanwege een appelverbod op grond van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet in combinatie met artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Appellant deed verzet tegen deze onbevoegdverklaring en voerde aan dat het appelverbod niet van toepassing zou moeten zijn omdat hij recht heeft op een zitting waarbij beide partijen in de gelegenheid zijn om inlichtingen en denkbeelden uit te wisselen. Hij stelde dat het ontbreken van de minister bij de zitting en het daardoor uitblijven van deze uitwisseling zijn rechten onder artikel 13 EVRM Pro schond.

De Raad oordeelde echter dat er geen recht bestaat op het verschijnen van de wederpartij ter zitting en dat de aangehaalde EVRM-artikelen geen grondslag bieden voor een dergelijk recht. Er was geen sprake van een evidente schending van beginselen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/130 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 november 2010, 10/4891, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 17 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij uitspraak van 31 maart 2011, 11/130, als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet, heeft de Raad zich onbevoegd verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 6 oktober 2011. Appellant is daar verschenen. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De uitspraak van de Raad van 31 maart 2011 berust op de overweging, dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep open staat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De Raad zag geen grond voor een bevoegdheid van de Raad om van het hoger beroep van appellant kennis te nemen.
2. In verzet heeft appellant - kort gezegd - aangevoerd dat het hiervoor bedoelde appelverbod buiten toepassing dient te blijven omdat hij recht heeft op een zitting waarbij hij en de minister in de gelegenheid zijn gesteld om inlichtingen/denkbeelden te verstrekken en/of te ontvangen. Nu hij aan zijn verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht heeft voldaan, maar de minister niet ter zitting is verschenen waardoor er geen uitwisseling van inlichtingen/denkbeelden heeft kunnen plaatsvinden, is appellant van mening dat zijn ingevolge artikel 13 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde rechten door de minister zijn geschonden en maakt hij aanspraak op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Daarbij heeft appellant gewezen op de “Verklaring van verbondenheid” van het ministerie van Justitie waarin onder meer is vermeld dat de rechters burgers beschermen tegen onrechtvaardige behandeling door de overheid.
3. De Raad ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, op grond waarvan volgens vaste rechtspraak doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is. De Raad overweegt hiertoe dat er geen recht van de rechtzoekende op het verschijnen ter zitting van de wederpartij bestaat. Ook de door appellant in dat verband aangehaalde artikelen van het EVRM bieden geen grondslag voor een dergelijk recht. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant een eerlijk proces is onthouden.
Derhalve dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) S. Werensteijn.
HD