ECLI:NL:CRVB:2011:BU7122

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5405 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en periodieke uitkering

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 1 december 2011 uitspraak gedaan in het geding tussen een appellant en de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder). De appellant, geboren in 1930 te Rotterdam, had in oktober 2008 een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op basis van gezondheidsklachten die hij in verband bracht met zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij stelde dat hij direct betrokken was bij het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940, hoewel hij niet in de directe nabijheid van de inslag woonde. De aanvraag werd echter afgewezen door verweerder, omdat niet was komen vast te staan dat de appellant daadwerkelijk direct betrokken was bij de bombardementen.

De Raad heeft het procesverloop en de feiten zorgvuldig onderzocht. De appellant had verklaard dat hij op de dag van het bombardement met zijn vader naar de bioscoop wilde gaan en zich aan de rand van het centrum bevond, waar de bommen vielen. De Raad concludeerde echter dat de appellant en zijn vader zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de inslag bevonden en dat de branden die ontstonden zich pas later uitbreidden naar de omgeving waar zij zich bevonden. De Raad oordeelde dat de appellant niet voldeed aan de criteria voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Uiteindelijk verklaarde de Raad het beroep van de appellant ongegrond en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd openbaar gedaan op 1 december 2011, waarbij R. Kooper als rechter en I. Mos als griffier optraden.

Uitspraak

10/5405 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 1 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010,182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 september 2010, nummer BZ01 WUB 000218, BZ01203762 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, die in 1930 te Rotterdam is geboren, heeft in oktober 2008 bij verweerder een verzoek ingediend om krachtens de Wubo te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij in verband brengt met hetgeen hij in de tweede wereldoorlog heeft meegemaakt.
1.2. Appellant stelt dat hij direct betrokken is geweest bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940. Weliswaar woonde hij niet in de directe omgeving van de inslag, maar omdat hij met zijn vader op weg was naar de bioscoop, bevond hij zich toevallig aan de rand van het centrum van Rotterdam, waarop de bommen zijn afgeworpen.
1.3. Verweerder heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 29 september 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat - voor zover thans nog van belang - niet is komen vast te staan dat appellant direct betrokken was bij de bombardementen op 14 mei 1940.
2. De Raad overweegt, naar aanleiding van hetgeen door partijen naar voren is gebracht, het volgende.
2.1. Appellant heeft de rapporteur van de Stichting 1940–1945 verteld dat hij op 14 mei 1940 met zijn vader naar de bioscoop in de Hoogstraat wilde gaan. Zij zijn via de Jonker Fransstraat in de richting van de Hoogstraat gelopen. Ter hoogte van de Goudsesingel (hoek Jonker Fransstraat) zag appellant hoe gebouwen aan de Coolsingel geraakt werden en in brand vlogen. Appellant en zijn vader zijn toen onmiddellijk via de Jonker Fransstraat terug gerend naar huis.
2.2. Op grond van het door verweerder in de bezwaarfase ingestelde onderzoek naar de omstandigheden van het bombardement op 14 mei 1940 moet de Raad constateren dat de bombardementen zich hebben geconcentreerd op het centrumgebied, met als grens de Goudsesingel. Uit het relaas van appellant komt naar voren dat zij zijn begonnen bij de Coolsingel, de westelijke rand van het direct getroffen centrumgebied. Appellant en zijn vader bevonden zich op dat moment aan de noordoostelijke rand van dat gebied, een aantal straten van de Coolsingel verwijderd. Omdat zij direct naar huis terug zijn gerend, hebben zij zich niet daadwerkelijk bevonden op of in de onmiddellijke nabijheid van de plek waar de bommen vielen. Dat de als gevolg van de bombardementen ontstane branden zich later uitbreidden tot halverwege de Jonker Fransstraat - dus voorbij de Goudsesingel - heeft appellant eerst later bemerkt, toen hij terugkeerde naar het getroffen gebied om polshoogte te nemen. Zijn ouderlijke woning aan de Marnixstraat bevond zich zowel buiten het direct getroffen gebied als buiten de brandgrens.
2.3. Evenals verweerder concludeert de Raad hieruit dat appellant niet direct betrokken is geweest bij de bombardementen op Rotterdam op 14 mei 1940, in de betekenis die daaraan voor de toepassing van artikel 2 van de Wubo moet worden toegekend.
2.4. Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard dient te worden.
3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.
(get.) R. Kooper.
(get.) I. Mos.
HD