ECLI:NL:CRVB:2011:BU7136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken woonplaats in gemeente Steenwijkerland
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en stond ingeschreven op een woonwagenadres in de gemeente Steenwijkerland. Na een melding dat zij was vertrokken naar Nijmegen, stelde de Intergemeentelijke Sociale Dienst een onderzoek in. Uit het onderzoek bleek dat appellante van 29 november 2008 tot en met 21 januari 2009 feitelijk in Nijmegen verbleef en niet meer kon terugkeren naar haar adres in Steenwijkerland.
Het Dagelijks Bestuur trok de bijstand met ingang van 29 november 2008 in omdat appellante niet meer haar hoofdverblijf had in de gemeente Steenwijkerland. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen en overige stukken voldoende grond boden voor de conclusie dat appellante geen woonplaats meer had in Steenwijkerland. Haar verblijf in Nijmegen, het feit dat haar woonwagen was verwijderd en haar bezittingen elders waren ondergebracht, maakten duidelijk dat zij niet meer in Steenwijkerland woonde. Haar stelling dat zij slechts tijdelijk elders verbleef en haar adres niet had opgegeven, werd verworpen.
De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden door haar vertrek niet te melden en dat het Dagelijks Bestuur terecht gebruik maakte van haar bevoegdheid tot intrekking van de bijstand. Ook de overige aangevoerde gronden faalden. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante geen woonplaats had in de gemeente Steenwijkerland.