ECLI:NL:CRVB:2011:BU7227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6474 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten aanvraag bijstand wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellant heeft op 20 april 2010 een aanvraag om bijstand ingediend bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Voor het intakegesprek op 26 april 2010 ontving appellant een lijst met benodigde documenten, waaronder bankafschriften van de laatste drie maanden. Hoewel hem werd verzocht de ontbrekende stukken uiterlijk 3 mei 2010 aan te leveren, heeft appellant slechts gedeeltelijk stukken ingeleverd op 6 mei 2010.

Het College heeft daarop op 11 mei 2010 het besluit genomen de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet alle benodigde gegevens binnen de hersteltermijn waren verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad benadrukte dat appellant niet had aangegeven bepaalde bankafschriften niet te hebben noch om een termijnverlenging had verzocht. De stelling van appellant dat hij bepaalde delen van het bankafschrift nooit had ontvangen, werd niet geaccepteerd. De Raad concludeerde dat het College bevoegd was en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt door de aanvraag buiten behandeling te laten.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om bijstand blijft buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van alle benodigde gegevens.

Uitspraak

10/6474 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2010, 10/3545 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 oktober 2011. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft zich op 20 april 2010 gemeld bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) om bijstand aan te vragen. Ten behoeve van een intakegesprek op 26 april 2010 heeft appellant een zogeheten boodschappenlijst ontvangen van stukken die appellant tijdens de intake diende over te leggen, waaronder bankafschriften van de laatste drie maanden. Appellant heeft op 26 april 2010 een aanvraag om bijstand ingediend en hem is bij brief van het College van 26 april 2010 meegedeeld uiterlijk op 3 mei 2010 alsnog de ontbrekende gegevens aan te leveren, onder meer de afschriften van rekening [nummer rekening] over de periode van 20 november 2009 tot en met 20 april 2010. Daarbij is hem te verstaan gegeven dat, indien de stukken niet of niet volledig worden verstrekt, kan worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Appellant heeft vervolgens op 6 mei 2010 een deel van de stukken ingeleverd waaronder een bankafschrift van rekening [nummer rekening] van 16 april 2010, blad 1 met volgnummer 5.
1.2. Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het College de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de grond dat appellant binnen de gestelde (herstel)termijn niet alle voor de aanvraag benodigde gegevens heeft verstrekt.
1.3. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
11 mei 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 mei 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het College bevoegd was om de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten en van die bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant vóór de afloop van de gegeven hersteltermijn niet aan de DWI heeft doorgegeven dat hij bepaalde bankafschriften niet had en evenmin heeft verzocht om een verlenging van de termijn waarin hij de bank om kopieën van afschriften had kunnen vragen. Gelet hierop treft de stelling van appellant dat hij de volgnummers 1 tot en met 4 van het door hem aangeleverde bankafschrift van 16 april 2010 nooit heeft ontvangen, wat daarvan ook zij, geen doel. De in hoger beroep aangevoerde gronden, welke in essentie neerkomen op een herhaling van hetgeen in beroep naar voren is gebracht, brengen de Raad niet tot een ander oordeel.
4.2. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD