ECLI:NL:CRVB:2011:BU7234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6985 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
10/6985 WWB
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer

Appellant diende op 7 juni 2010 een aanvraag om bijstand in volgens de norm voor een alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 23 juni 2010 af, omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn broer. Na bezwaar verklaarde het College het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit op 9 november 2010.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en voerde aan dat hij en zijn broer gescheiden huishoudens zouden voeren. De Raad oordeelde echter dat op basis van een huisbezoek en een gedetailleerde verklaring van appellant op 21 juni 2010 vaststond dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellant beschikte niet over een aparte woonruimte, maakte zonder betaling gebruik van de gehele woning en duurzame gebruiksgoederen, en er was geen zakelijke huur- of kostgangersovereenkomst. De huishoudelijke taken werden gezamenlijk of beurtelings verricht.

Omdat appellant zijn standpunt niet met objectieve gegevens onderbouwde, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer.

Uitspraak

10/6985 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2010, 10/4422 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 oktober 2011. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 7 juni 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer [naam broer appellant], geboren op 3 april 1953.
1.2. Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het College op basis van het huisbezoek en de verklaring van appellant van 21 juni 2010 op goede gronden heeft aangenomen dat appellant ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer. De Raad voegt daaraan toe dat appellant op 21 juni 2010 een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd waaruit tevens naar voren komt dat appellant op het adres in geding niet beschikt over een afzonderlijke, gescheiden woonruimte en dat appellant zonder betaling gebruik maakt van de gehele woning en van de daarin aanwezige duurzame gebruiksgoederen, dat geen sprake is van een zakelijke huur- of kostgangersovereenkomst en dat appellant en zijn broer de dagelijkse huishoudelijke activiteiten, waaronder het doen van de was en het schoonmaken van de woning, beurtelings of gezamenlijk voor hun rekening nemen. De Raad merkt voorts op dat appellant zijn standpunt dat hij en zijn broer twee gescheiden huishoudens zouden voeren op geen enkele wijze met objectieve gegevens heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt.
4.2. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.M. van Gorkum.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD