ECLI:NL:CRVB:2011:BU7234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant diende op 7 juni 2010 een aanvraag om bijstand in volgens de norm voor een alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 23 juni 2010 af, omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn broer. Na bezwaar verklaarde het College het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit op 9 november 2010.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en voerde aan dat hij en zijn broer gescheiden huishoudens zouden voeren. De Raad oordeelde echter dat op basis van een huisbezoek en een gedetailleerde verklaring van appellant op 21 juni 2010 vaststond dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellant beschikte niet over een aparte woonruimte, maakte zonder betaling gebruik van de gehele woning en duurzame gebruiksgoederen, en er was geen zakelijke huur- of kostgangersovereenkomst. De huishoudelijke taken werden gezamenlijk of beurtelings verricht.
Omdat appellant zijn standpunt niet met objectieve gegevens onderbouwde, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer.