ECLI:NL:CRVB:2011:BU7715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens niet nagekomen inlichtingenplicht
Appellant werkte als uitzendkracht en ontving WW- en ZW-uitkeringen. Het UWV stelde op basis van een frauderapport vast dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, wat leidde tot herziening en terugvordering van de uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het frauderapport en verklaringen van bedrijfsleiders voldoende bewijs boden dat appellant zijn inlichtingenplicht niet nakwam. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bewijs onvoldoende was en dat zijn eigen verklaringen onvoldoende werden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant meer uren werkte dan opgegeven. De verklaringen van bedrijfsleiders en directeuren van de inlener, ondanks tegenstrijdigheden in de door appellant overgelegde getuigenverklaringen, boden voldoende steun voor het standpunt van het UWV.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de WW- en ZW-uitkering bevestigd.