ECLI:NL:CRVB:2011:BU8189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1005 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:57 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen strafontslag ambtenaar wegens onvoldoende gronden

Appellant, sinds 1996 in dienst bij de gemeente Amsterdam, kreeg op 3 maart 2009 onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de gronden onvoldoende waren toegelicht.

Het voorlopige bezwaarschrift bevatte slechts een algemene stelling dat het besluit strijdig zou zijn met wet en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zonder nadere motivering. De gemachtigde van appellant kreeg een redelijke termijn om de gronden aan te vullen, maar deed dit niet.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de stelling onvoldoende duidelijkheid verschaft over de geschilpunten en dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het opleggen van strafontslag is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende gemotiveerde bezwaarschriftengronden.

Uitspraak

11/1005 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 09/5957, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 8 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was sinds 1 maart 1996 in dienst van de gemeente Amsterdam en tewerkgesteld bij de dienst Stadstoezicht, laatstelijk als Parkeercontroleur A. Bij besluit van 3 maart 2009 (hierna: primair besluit) is aan appellant wegens ernstig plichtsverzuim onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Bij besluit van 9 november 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het opleggen van die straf
niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.
3.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.2. Namens betrokkene is tegen het primaire besluit op 14 april 2009 een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Daarin is vermeld dat appellant zich niet kan verenigen met het primaire besluit en op nader aan te voeren gronden bezwaar wenst te maken. Wel is namens appellant aangevoerd dat hij van mening is dat “de bestreden beschikking strijdig is met zowel de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beschikking kan dan ook rechtens geen stand houden”. Bij e-mailbericht van 20 mei 2009 is de gemachtigde van appellant meegedeeld: “Mag ik u verzoeken uw gronden van bezwaar uiterlijk op 1 juni 2009 in te dienen.” Daaraan is toegevoegd: ”Indien de nadere gronden niet op deze datum door de Dienst zijn ontvangen, wordt het bezwaarschrift waarschijnlijk niet-ontvankelijk verklaard.”
De gemachtigde van appellant heeft per e-mailbericht van dezelfde datum aan het college geantwoord “akkoord”.
3.3. De gemachtigde van appellant heeft voor 1 juni 2009 geen nadere gronden ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de enkele niet toegelichte stelling dat de beslissing in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel onvoldoende grond is voor bezwaar. Bovendien heeft de gemachtigde van appellant een redelijke termijn gekregen om het verzuim te herstellen en is hij gewaarschuwd voor de gevolgen die verbonden zijn aan het niet tijdig herstellen van dat verzuim. Daarbij is meegewogen dat de gemachtigde van appellant sinds eind april 2009 over alle stukken beschikte. Het college acht verder nog van belang dat de gemachtigde van appellant akkoord was met de termijn en vervolgens niet binnen de termijn heeft gereageerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt van het college onderschreven.
3.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de in het voorlopig bezwaarschrift vermelde passage niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, en onder d, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad verschaft die passage geen duidelijkheid over hetgeen partijen verdeeld houdt. Bovendien blijkt niet waaruit de strijdigheid met de beginselen van behoorlijk bestuur in dit specifieke geval zou bestaan. Het is de Raad dan ook niet gebleken waarom het primaire besluit rechtens geen stand zou kunnen houden. De Raad stelt voorts vast dat de gemachtigde van appellant in de gelegenheid is gesteld het verzuim herstellen, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt. Evenmin heeft de gemachtigde van appellant binnen de gestelde termijn om verlenging van de termijn verzocht.
3.5. Nu de Raad voorts geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkheid heeft kunnen besluiten, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M.C. Nijholt.
HD