ECLI:NL:CRVB:2011:BU8343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1675 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • J.G. Treffers
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • T. van Peijpe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens appelverbod in bestuursrechtelijke zaak

Appellant had beroep ingesteld tegen het College van dijkgraaf en heemraden van Delfland wegens het niet tijdig beslissen op verzoeken en bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant niet het gevraagde stuk had ingediend. De Raad verklaarde zich aanvankelijk onbevoegd wegens het appelverbod zoals bepaald in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.

Appellant deed verzet tegen deze beslissing en voerde onder meer aan dat artikel 6:12, tweede lid, van de Awb in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro en dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel had gegeven over de status van een brief van 10 december 2009. De Raad oordeelde dat het appelverbod niet doorbroken kon worden omdat er geen evidente schending van goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen was, mede omdat appellant in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen.

De Raad vond ook geen grond voor de stelling over strijdigheid met het EVRM, mede omdat deze niet gemotiveerd was. Het ontbreken van een oordeel over de brief was niet relevant voor het appelverbod, temeer daar appellant geen rechtsmiddelen tegen die brief had aangewend. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het appelverbod.

Uitspraak

11/1675 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrechtspraak en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/529, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van dijkgraaf en heemraden van Delfland (hierna: college)
Datum uitspraak: 1 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 1 juni 2011 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard.
Appellant heeft tegen de uitspraak van 1 juni 2011 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 20 oktober 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft in januari 2010 beroep bij de rechtbank ingesteld, omdat het college op een tweetal verzoeken en een bezwaar niet tijdig had beslist. Op een verzoek van de rechtbank om een kopie in te zenden van de brief waarmee appellant het college in gebreke heeft gesteld, heeft appellant gereageerd; hij heeft niet het door de rechtbank gevraagde stuk ingezonden.
1.2. Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb van 10 november 2010 heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard.
2. In de uitspraak van de Raad van 1 juni 2011 is overwogen, dat de aangevallen uitspraak een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb en dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet tegen een zodanige uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft in de toepassing door de rechtbank van de artikelen 8:54 en 8:55 van de Awb geen evidente schending gezien van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen. Er was dan ook geen aanleiding om doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd te achten.
2.1. Appellant heeft in verzet gewezen op de tegenstrijdigheid tussen artikel 6:12, tweede lid, van de Awb en artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb. Hij acht artikel 6:12, tweede lid, van de Awb in strijd met het bepaalde in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant acht onjuist dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de vraag of de brief van 10 december 2009 een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is.
3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 10 mei 2001, LJN AB1774 en TAR 2001, 137) kan er tot een doorbreking van een wettelijk appelverbod (slechts) aanleiding zijn, als sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
3.1. In aanmerking genomen dat de rechtbank appellant in de gelegenheid heeft gesteld om het aan het beroep klevende verzuim te herstellen, ziet de Raad geen grond voor de aanwezigheid van een evidente schending als onder 3 bedoeld. De Raad ziet evenmin grond voor de - door appellant niet gemotiveerde - stelling betreffende de strijd van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb met artikel 6 van Pro het EVRM.
3.2. Ook het ontbreken van een oordeel van de rechtbank over de status van de brief van 10 december 2009 geeft geen grond voor het doorbreken van het appelverbod. Tegen die brief, waarvan de rechtbank pas na het instellen van het verzet kennis heeft gekregen, heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, hoewel appellant naar hij ter zitting heeft verklaard die brief wel zag als een formeel besluit. Voor de rechtbank was er dus geen aanleiding om hierover een oordeel te geven.
3.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
4. De Raad ziet tot slot geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en T. van Peijpe als leden, in aanwezigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) S. Werensteijn.
HD