ECLI:NL:CRVB:2011:BU9036

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1708 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij bijstandsherziening

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het College waarbij de bijstand werd herzien en terugvordering werd ingesteld. Het bezwaarschrift bevatte aanvankelijk geen gronden, waarna het College een termijn van twee weken stelde om deze alsnog in te dienen.

Appellant diende de gronden na afloop van deze termijn in, waarna het College het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellant dat de termijn later was aangevangen, maar de Raad verwierp dit standpunt.

De Raad oordeelde dat het College bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gronden had ingediend. Het financiële belang van appellant rechtvaardigde geen ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

11/1708 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 februari 2011, 10/1153 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kaya en J.P.M. Olsthoorn als tolk. Het College heeft zich, zoals voorafgaand is bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 8 juli 2010 heeft het College de bijstand van appellant over een bepaalde periode herzien en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.252,62 van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd.
1.2. Tegen dit besluit heeft mr. Kaya namens appellant bij fax van 19 augustus 2010 pro forma bezwaar gemaakt. In deze fax heeft mr. Kaya het College verzocht om toezending van het procesdossier en om ten minste vier weken uitstel te verlenen voor het indienen van de nadere gronden.
1.3. Bij brief van 30 augustus 2010 aan mr. Kaya heeft het College de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd, het dossier toegezonden en het volgende bericht: “Wij verlenen u een termijn van twee weken na dagtekening van deze brief voor het indienen van uw gronden van bezwaar. Uw bezwaarschrift kan ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard indien u niet binnen genoemde termijn reageert”.
1.4. Bij fax van 14 september 2010 heeft mr. Kaya namens appellant de gronden van het bezwaar ingezonden.
1.5. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2010 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat het bezwaarschrift van 19 augustus 2010 geen gronden bevat, dat appellant in de gelegenheid is gesteld dit verzuim binnen de daarvoor aangegeven termijn te herstellen en dat appellant van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Voorts is overwogen dat in de brief duidelijk is gewezen op de gevolgen indien de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend en dat het op de weg van de gemachtigde had gelegen een nader verzoek om uitstel in te dienen indien hij niet bij machte was binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaar in te dienen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangaande de aanvang van de verleende termijn voor het indienen van de nadere gronden heeft appellant gesteld dat aansluiting gezocht dient te worden bij artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De termijn is, zo stelt appellant, daags na ontvangst van de brief op 31 augustus 2010 aangevangen en geëindigd op 14 september 2010. De gronden van bezwaar zijn om die reden tijdig ingediend, waardoor hij ontvankelijk is in zijn bezwaar.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Artikel 6:6 van Pro de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2. De Raad stelt vast dat het inleidend bezwaarschrift van 19 augustus 2010 geen gronden bevat in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Het College heeft appellant bij brief van 30 augustus 2010 een termijn van twee weken verleend om de gronden aan te vullen. Aangegeven is dat de termijn ingaat na dagtekening van die brief, derhalve op 31 augustus 2010. Daarbij is expliciet vermeld dat zijn bezwaarschrift ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien hij niet binnen genoemde termijn reageert. De termijn eindigde zodoende op 13 september 2010. De Raad ziet geen grond voor het standpunt van appellant dat de termijn naar analogie van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb eerst op 1 september 2010 is aangevangen, zijnde de dag na die waarop de brief van 30 augustus 2010 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het bepaalde in artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb biedt daarvoor geen grond.
4.3. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen volgt dat het College bevoegd was het bezwaar wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk te verklaren.
4.4. In de omstandigheid dat appellant een groot financieel belang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) N.M. van Gorkum.
IJ