ECLI:NL:CRVB:2011:BU9257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij fibromyalgie en functionele beperkingen
Appellante, werkzaam als tomatenplukster, viel in oktober 2007 uit wegens lichamelijke klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij fibromyalgie heeft en chronische pijn, en dat de geduide functies niet aansluiten bij haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit. In hoger beroep voerde appellante aan dat de functies te belastend zijn, mede door taalproblemen en werktempo. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst te betwijfelen.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat nieuwe medische gegevens geen aanleiding geven tot herziening van de belastbaarheid. De Raad vond de toelichting voldoende en zag geen noodzaak voor een onafhankelijke deskundige. Ook achtte de Raad de geduide functies passend, en verwierp het argument over taalvaardigheid gezien de verblijfsduur van appellante in Nederland.
Ten slotte stelde de Raad vast dat het vervallen van een reservefunctie geen invloed heeft op de berekening van het verlies aan verdienvermogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op een WIA-uitkering wordt ontzegd.