ECLI:NL:CRVB:2011:BU9265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-966 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering en medische beoordeling door het Uwv

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante, die zich ziek meldde in januari 2002 met schildklierproblemen en psychische klachten, ontving sinds februari 2002 een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2009, waarbij haar beperkingen werden vastgesteld door arts E.C.R. Brillouet, concludeerde het Uwv dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering per 17 juni 2009 in. Appellante voerde aan dat het Uwv onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten, waaronder psychische klachten en slaap-apneu. In bezwaar werden aanvullende medische gegevens ingediend, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank bevestigde het besluit van het Uwv, waarop appellante in hoger beroep ging. Tijdens de zitting werd wederom betoogd dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd en dat de door appellante ingebrachte informatie adequaat was beoordeeld. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om de medische beoordeling van het Uwv te betwisten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en het hoger beroep van appellante werd afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling en de rol van aanvullende informatie in het proces van herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat de klachten van appellante, zoals hielspoor, niet relevant waren voor de beoordeling van de intrekking van de WAO-uitkering, aangezien deze zich pas na de datum in geding hadden ontwikkeld. De beslissing van de Raad werd openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

Uitspraak

11/966 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 december 2010, 10/1968 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, kantoor ?’s-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als taxichauffeur en meldde zich ziek met ingang van 17 januari 2002 in verband met schildklierproblemen en psychische klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is zij met ingang van 14 februari 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 13 februari 2009 heeft de arts E.C.R. Brillouet in het kader van een herbeoordeling een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige R. van der Poel functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat is geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellante geldende maatmaninkomen en de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 16 april 2009 is de WAO-uitkering per 17 juni 2009 ingetrokken.
2. In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten, waarbij het gaat om onder meer psychische klachten, slaap-apneu en incontinentieproblematiek. Ter onderbouwing van dat standpunt is een verklaring van GZ-psycholoog M. van Gansewinkel van 12 mei 2009, een afspraakbevestiging van instituut Kempenhaeghe voor 6 oktober 2009, alsmede een indicatiebesluit van het CIZ van 13 juli 2009 voor 2 tot 3,9 uur per week individuele begeleiding overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen heeft mede naar aanleiding van de ontvangen informatie de FML op 17 augustus 2009 op een aantal aspecten in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) aangescherpt. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens heeft op grond hiervan een van de voorgehouden functies laten vervallen en in het rapport van 25 augustus 2008 vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, waarna het bezwaar bij besluit van 26 augustus 2008 (verder: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.
3. In beroep is namens appellante herhaald dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen en is tevens melding gemaakt van klachten als gevolg van een hielspoor. Voorts is een verklaring van reumatoloog M.C.G.S. Jacobs van 4 januari 2010, alsmede een aanvraagformulier zorg in geding gebracht.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn namens appellante nadere stukken in geding gebracht waaruit zou blijken dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Het betreft een brief van R. Brouwer, arts manuele geneeskunde, van 16 augustus 2011 en een indicatiebesluit van het CIZ van 5 juni 2011. Uit het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat - ook - in hoger beroep uitsluitend de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevochten. Appellante stelt zich op het standpunt dat, nu in haar visie in de FML van 17 augustus 2009 onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande beperkingen, zij niet tot het vervullen van die functies in staat kan worden geacht.
6.1. De Raad oordeelt als volgt.
6.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naast dossieronderzoek heeft de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek verricht en heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante op de hoorzitting gezien. Tevens is de door appellante ingebrachte informatie bij de beoordeling betrokken en heeft de bezwaarverzekeringsarts daarin aanleiding gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen in de FML. Met betrekking tot de hielspoor-problematiek heeft appellante ter zitting bij de rechtbank aangegeven dat deze zich pas na de datum in geding heeft ontwikkeld. Gelet op de reactie van bezwaarverzekeringsarts Tjen van 15 september 2009 op de informatie van de arts Brouwer, houdt de Raad het er voor dat de lage rugklachten van appellante, waarmee in de FML rekening is gehouden, ongewijzigd zijn gebleven en dat de knieklachten dateren van na de datum in geding. Deze heeft derhalve geen invloed op de vastgestelde beperkingen per 17 juni 2009. Ten aanzien van de door appellante in bezwaar en hoger beroep overgelegde stukken met betrekking tot de gelijkluidende indicatiebesluiten die door het CIZ zijn afgegeven overweegt de Raad dat hieruit evenmin de conclusie kan worden getrokken dat te weinig rekening is gehouden met de bij appellante bestaande klachten, waarbij de Raad opmerkt, dat de onderliggende medische gegevens die aan die besluitvorming ten grondslag hebben gelegen niet in geding zijn gebracht. De Raad ziet ook overigens in de gedingstukken geen aanleiding om de medische beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden en komt dan ook tot de conclusie het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) K.E. Haan.
JL