ECLI:NL:CRVB:2011:BU9265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking van WAO-uitkering en medische beoordeling door het Uwv
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante, die zich ziek meldde in januari 2002 met schildklierproblemen en psychische klachten, ontving sinds februari 2002 een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2009, waarbij haar beperkingen werden vastgesteld door arts E.C.R. Brillouet, concludeerde het Uwv dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering per 17 juni 2009 in. Appellante voerde aan dat het Uwv onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten, waaronder psychische klachten en slaap-apneu. In bezwaar werden aanvullende medische gegevens ingediend, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde het besluit van het Uwv, waarop appellante in hoger beroep ging. Tijdens de zitting werd wederom betoogd dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd en dat de door appellante ingebrachte informatie adequaat was beoordeeld. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om de medische beoordeling van het Uwv te betwisten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en het hoger beroep van appellante werd afgewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling en de rol van aanvullende informatie in het proces van herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat de klachten van appellante, zoals hielspoor, niet relevant waren voor de beoordeling van de intrekking van de WAO-uitkering, aangezien deze zich pas na de datum in geding hadden ontwikkeld. De beslissing van de Raad werd openbaar uitgesproken op 23 december 2011.