AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in hoger beroep tegen UWV-besluit schadevergoeding
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het beroep tegen een UWV-besluit tot afwijzing van een schadevergoeding ongegrond werd verklaard. De schadevergoeding was onderdeel van een mediation-procedure waarbij finale kwijting werd verleend, maar verzoeker stelde dat fiscale schade buiten de mediation viel.
De voorzieningenrechter overwoog dat de vermeende spoedeisendheid van het verzoek vooral gelegen was in een belastingaanslag, maar dat dit onvoldoende was om onverwijlde spoed aan te nemen. Verzoeker had geen stukken overgelegd die een financiële noodsituatie aannemelijk maakten. De voorzieningenrechter benadrukte dat het aan verzoeker is om eventuele problemen met de belastingdienst op te lossen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de mogelijkheid tot voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en onvoldoende onderbouwing van financiële nood.
Uitspraak
11/5465 WAZ-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 21 vanPro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2011, 10/3631 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 17 september 2011 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft daarbij tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het Uwv heeft op 1 december 2011 schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2011. Partijen zijn - met bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 22 april 2010 heeft het Uwv een verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat in een mediation-procedure schadevergoeding betaald was, onder verlening van finale kwijting over en weer. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat vermeende schadepost, bestaande uit fiscale schade, ook onder deze schadevergoeding valt.
2. Bij besluit van 28 juli 2010 (verder: bestreden besluit) is het door verzoeker ingediende bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat partijen in de in het kader van de mediation-procedure tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst hebben bepaald, dat zij ter zake van het geschil met betrekking tot de WAZ-grondslag, nagevolgen en schadevergoeding over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben (finale kwijting) en dat louter de fiscale gevolgen van de aanvulling tot het sociaal minimum los van de vaststellingsovereenkomst staan. De rechtbank heeft - anders dan verzoeker - uit de vaststellingsovereenkomst niet kunnen opmaken dat bedoeld is de gehele fiscale schade buiten de mediation te houden. Verzoeker heeft zijn stelling ter zake naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt.
4. Verzoeker heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
5. Voorts heeft verzoeker de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Ingevolge artikel 18 enProartikel 21 vanPro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 vanPro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.2. Ten aanzien van de vraag of er in dit geval sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
6.3. Verzoeker heeft in het verzoekschrift gesteld dat de fiscale schade buiten de mediation is gehouden en dat dit juist is, omdat de belastingdienst geen partij bij de mediation-procedure is geweest. Pas na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst is de belastingdienst erbij betrokken geraakt. Verzoeker heeft inmiddels van de belastingdienst vernomen dat zowel hij als zijn echtgenote als gevolg van een nabetaling van WAZ-uitkering over een afgesloten periode een bedrag van € 14.000,= aan de belastingdienst terug dient te betalen.
6.4. De voorzieningenrechter overweegt dat, voor zover verzoeker zou menen dat de spoedeisendheid van de gevraagde voorziening is gelegen in voormelde belastingaanslag, dit onvoldoende is om van onverwijlde spoed in bovengenoemde zin te kunnen spreken. De voorzieningenrechter is in dit verband met het Uwv van oordeel dat het bij mogelijke problemen betreffende de terugbetaling van de vordering op de weg van verzoeker ligt om zich ter zake tot de belastingdienst te wenden.
6.5. De voorzieningenrechter constateert voorts dat verzoeker bij zijn verzoekschrift geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van een bij hem bestaande financiële noodsituatie.
6.6. Ten aanzien van de door het Uwv geuite wens, dat ook onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan overweegt de voorzieningenrechter dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld is om door middel van een zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid van de Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter zal in dit geval dan ook geen gebruik maken van voormelde bevoegdheid.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 december 2011.