Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BU9993

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4922 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:77 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft in juni 2004 en juni 2005 auto-ongelukken gehad, met klachten aan nek, rug en rechter lichaamshelft, en een operatie in 2007 aan een neurinoom. Vanaf oktober 2006 meldde hij zich ziek. Het UWV weigerde per 29 september 2008 een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts een juiste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld en dat het rapport van de Ziektewet-arts Kummerling, hoewel afwijkend, niet leidt tot een andere beoordeling. De medische en arbeidskundige gegevens tonen aan dat appellant op de peildatum ten minste één uur aaneengesloten kan zitten.

Ten aanzien van psychische beperkingen concludeert de Raad dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor psychisch disfunctioneren op de peildatum. Latere psychiatrische rapporten zijn niet relevant voor die datum. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd zijn medisch geschikt voor appellant, en de belastbaarheid wordt niet overschreden. De Raad bevestigt daarom dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid op 29 september 2008.

Uitspraak

10/4922 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2010, 09/1334 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en het heeft stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is verschenen met bijstand van
mr. I.H.M. Hest, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. In juni 2004 en in juni 2005 zijn appellant auto-ongelukken overkomen. Als gevolg daarvan had appellant nek- en rugklachten met uitstraling naar de gehele rechter lichaamshelft. Tevens is in oktober 2007 bij appellant een neurinoom van de linker nervus ischiadicus operatief verwijderd, ten gevolge waarvan hij niet langdurig op de linkerbil kan zitten. Daarnaast had appellant (sinds de ongelukken) last van hoofdpijn, duizeligheid en concentratiestoornissen. In verband met genoemde klachten heeft appellant zich met ingang van 2 oktober 2006 als WW-uitkeringsgerechtigde ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard tegen een besluit van het Uwv van 15 oktober 2008, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellant met ingang van 29 september 2008 uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen op de grond dat appellant per laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 5 maart 2009 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep keert appellant zich tegen de aangevallen uitspraak onder herhaling en uitbreiding van al zijn stellingen, die van medische aard zijn, welke hij in bezwaar en in eerste aanleg heeft aangevoerd. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte een aantal beroepsgronden niet heeft behandeld.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563, vloeit uit artikel 8:69 en Pro uit artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet voort dat de administratieve rechter in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De desbetreffende hoger beroepsgrond, voor zover appellant daarmee beoogt te stellen, dat reeds op die grond de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, slaagt derhalve niet.
4.2. De Raad ziet met de rechtbank onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts is de Raad het eens met het oordeel van de rechtbank over de waardering van het rapport van de Ziektewet (ZW) -arts Kummerling. Dat rapport is gericht op de beoordeling van de geschiktheid voor het eigen werk van appellant en bovendien, ook al heeft deze ZW-arts een andere inschatting van de beperkingen van appellant, dan betekent dit niet dat de waardering van de beperkingen niet anders kan uitvallen in het kader van de Wet WIA-aanspraken. Bepalend is of de verzekeringsgeneeskundige opinie die aan de Wet WIA-besluitvorming ten grondslag ligt naar behoren is gemotiveerd. Naar het oordeel van ook de Raad is het geval ten aanzien van hetgeen daaromtrent van de zijde van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv als conclusie te kennen is gegeven. Gelet op de objectiveerbare gegevens valt naar het oordeel van de Raad niet uit de gedingstukken op te maken dat appellant op de datum die in dit geding van belang is niet 1 uur aaneengesloten kan zitten.
4.3. Met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellant kan de Raad zich met de rechtbank vinden in de beschouwing van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapporten van 18 juni 2009 en 1 juni 2010. De verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts zag een aanwijzing voor psychisch disfunctioneren. Er zijn naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van psychische beperkingen al op de datum die in dit geding van belang is, 29 september 2008. De ZW-arts Kummerling stelde geen enkele psychopathologie vast. De huisarts heeft in zijn brief van 4 september 2008 aan de verzekeringsarts geschreven over een bij appellant waargenomen emotionele labiele stresstoestand, hetgeen door de bezwaarverzekeringsarts is geduid als een toestand van spanningsklachten zonder gevolgen voor de psychische belastbaarheid. Appellant is door de huisarts eerst op 22 december 2008, dit is bijna drie maanden na de datum die in dit geding van belang is, verwezen naar de GGZ, en eerst toen is gestart met het voorschrijven van een antidepressivum. Pas eind maart 2009 is appellant voor zijn psychische klachten specialistisch behandeld. In het in hoger beroep overgelegde rapport van 13 februari 2011 van de psychiater J.H.M. van Laarhoven, ziet de Raad geen onderbouwing van appellants standpunt dienaangaande. Er is bij appellant geen stoornis vastgesteld op psychiatrisch gebied op 21 april 2009. Dit betekent dat dit laatste rapport bij de Raad geen twijfel oproept over de in geding zijnde verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Hetzelfde geldt voor de psychiatrische expertise van 25 maart 2011 A. Akdeniz. Deze expertise is niet gericht op de datum die in dit geding van belang is, 29 september 2008.
4.4. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies medisch geschikt voor appellant. De opgekomen signaleringen bij deze functies zijn naar behoren van een toelichting voorzien. Niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellant in die functies wordt overschreden. Dit geldt ook voor de overschrijding gemarkeerd bij aspect 4.13 in de functie van wikkelaar, nu de toelichting bij het gelijke aspect van de andere functies ook geldt voor de genoemde functie.
4.5. De rechtbank is dan ook met juistheid tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellant met ingang van 29 september 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.J. Penning.
TM