ECLI:NL:CRVB:2012:BV0192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid volgens WAO-beoordeling
Appellant ontving sinds 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, geschikt geacht voor rugsparende, niet-stresserende werkzaamheden. Vanaf januari 2008 kreeg hij een Ziektewetuitkering wegens ziekmelding. In februari 2009 beëindigde het UWV deze uitkering omdat appellant weer geschikt werd geacht voor zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij het medisch onderzoek door verzekeringsartsen als zorgvuldig werd beoordeeld. De Raad bevestigt dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde blijvend ongeschikt is voor die arbeid en niet is hervat, dan geldt de WAO-functieschaling.
De verzekeringsartsen concludeerden dat appellant op de datum in geschil geschikt was voor ten minste één van de WAO-functies, ondanks klachten aan rug, psyche en maag. Nieuw ingebrachte medische informatie toonde geen andere pathologie. De Raad ziet geen aanleiding tot andersluidend oordeel en bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd wegens geschiktheid voor arbeid volgens WAO-beoordeling; verzoek om schadevergoeding afgewezen.