ECLI:NL:CRVB:2012:BV0268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, die een werkloosheidsuitkering ontving, meldde zich ziek op 24 maart 2010. Het UWV besloot op 26 mei 2010 dat appellant geen recht had op ziekengeld, omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor de functies die hem in 2006 waren voorgehouden bij de WAO-beoordeling. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 1 juli 2010 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen aan beide armen waren onderschat en dat hij daardoor niet in staat was het aan hem voorgehouden productiewerk en fijn motorisch werk te verrichten. Hij overhandigde een nieuw medisch rapport van zijn neuroloog.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld volgens de Ziektewet geldt bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, tenzij na de maximale uitkeringsduur de maatstaf de functies zijn die bij de WAO-beoordeling zijn vastgesteld. De Raad vond dat het UWV en de rechtbank de juiste maatstaf hadden gehanteerd en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook het nieuwe medische bewijs geen ander licht wierp op de gezondheidstoestand van appellant.
De Raad concludeerde dat appellant per 24 maart 2010 in staat moet worden geacht zijn arbeid te hervatten en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van verdere Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.