ECLI:NL:CRVB:2012:BV0761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud en schending inlichtingenplicht
Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Helmond stelde de aanvraag buiten behandeling vanwege het niet tijdig aanleveren van gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en bepaalde dat het College een nieuw besluit moest nemen.
In het vervolgtraject stelde het College vast dat appellanten niet duidelijkheid verschaften over de beschikking over een bedrag van €16.000,--, dat zij naar eigen zeggen aan een derde hadden teruggegeven. Dit leidde tot de conclusie dat appellanten hun inlichtingenverplichting schonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het bedrag aan die derde toebehoorde en teruggegeven was, maar konden dit niet objectief en verifieerbaar aantonen. De Raad achtte de aangeleverde kwitantie onvoldoende betrouwbaar en concludeerde dat het College terecht mocht aannemen dat appellanten vanaf 25 januari 2006 zelf over het bedrag beschikten.
Verder konden appellanten niet aantonen hoe zij in de periode vanaf 11 juli 2006 tot 13 februari 2010 in hun levensonderhoud hadden voorzien. Ondanks verzoeken werden geen objectieve bewijsstukken overgelegd. Het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2011, waarin het College het recht op bijstand weigerde, werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van bijstand wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs en schending van de inlichtingenverplichting.