ECLI:NL:CRVB:2012:BV0789
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening gelijkstelling vervolgingsslachtoffer op grond van Wuv
Appellante, geboren in 1937, diende in 1996 een aanvraag in om erkend te worden als of gelijkgesteld te worden met een vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), vanwege gezondheidsklachten die zij toeschreef aan haar oorlogservaringen in voormalig Nederlands-Indië. Dit verzoek werd in 1999 afgewezen omdat geen verband kon worden vastgesteld tussen haar klachten en het overlijden van haar vader in 1943.
In 2009 verzocht appellante om herziening van dit besluit. Een nieuw medisch onderzoek concludeerde dat zij leed aan een chronische PTSS met secundaire depressie, welke redelijkerwijs gerelateerd kon worden aan het overlijden van haar vader. Verweerder handhaafde echter de afwijzing, stellende dat de klachten meer samenhingen met het overlijden van andere familieleden en haar echtgenoot, en dat de band met haar vader onvoldoende was om van een direct verband te spreken.
De Raad oordeelde dat het verband dat voor de Wuv vereist is, moet gaan om de directe gevolgen van het overlijden van de vader op de psychische en lichamelijke gesteldheid van de betrokkene, en niet om indirecte gevolgen zoals het ontbreken van een vaderfiguur. Het rapport van Bauman bood onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijk direct verband. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens onvoldoende direct verband met het overlijden van de vader.