ECLI:NL:CRVB:2012:BV0813

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5126 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • R. Kooper
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1003 Ambtenarenreglement gemeente Amsterdam
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij Dienst Werk en Inkomen Amsterdam

Appellante was administratief medewerkster bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam. Na een melding over mogelijke uitkeringsfraude door haar broer, werd een onderzoek ingesteld naar integriteitschendingen door appellante. Dit leidde tot een rapport waarin plichtsverzuim werd vastgesteld.

Het college van burgemeester en wethouders legde appellante op 12 augustus 2008 onvoorwaardelijk ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim. Dit besluit werd gehandhaafd bij een besluit van 22 januari 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat het ontslagbesluit onzorgvuldig tot stand was gekomen, bevooroordeeld was en dat de straf disproportioneel was. De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren op het onderzoeksrapport en dat er een verantwoordingsgesprek had plaatsgevonden. Het college had bovendien advies ingewonnen bij het Bureau Integriteit. Er was geen sprake van vooringenomenheid.

De Raad vond de opgelegde straf passend bij het ernstige plichtsverzuim, waarbij appellante het vertrouwen had verloren en niet voldeed aan de eisen van betrouwbaarheid en integriteit. Leeftijd en dienstjaren waren niet strafverzwarend meegewogen, maar ook niet reden voor een lichtere straf. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/5126 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2010, 09/865 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 5 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Sitaldin, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Boes.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was vanaf 1 oktober 2002 werkzaam als administratief medewerkster bij Marktplein Zuidoost van (thans) de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam. Een melding betreffende mogelijke uitkeringsfraude, gepleegd door een broer van appellante, heeft geleid tot een onderzoek van de Interne Accountantsdienst van het Bureau Integriteit van DWI naar mogelijke integriteitschendingen door appellante. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 mei 2008.
1.2. Nadat appellante bij besluit van 17 juni 2008 was geschorst met behoud van bezoldiging en haar de toegang tot het werk was ontzegd, heeft het college appellante bij besluit van 12 augustus 2008 wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam. Bij het bestreden besluit van 22 januari 2009 heeft het college dit ontslag gehandhaafd.
1.3. Appellante wordt in hoofdzaak verweten dat zij:
(a) meermalen het GBA-systeem heeft geraadpleegd voor niet-zakelijke doeleinden;
(b) haar rekeningnummer ter beschikking heeft gesteld voor de betaling van de uitkering van haar broer, waarbij is gebleken dat die uitkering ten onrechte werd betaald;
(c) heeft gemerkt dat er (zeer waarschijnlijk) bijstandsfraude aan de orde was, maar daaraan niets heeft gedaan;
(d) niet heeft gemeld dat de uitkering van haar broer bij haar marktplein in behandeling was, terwijl
(e) het college de stelling van appellante dat zij zelf anoniem een melding heeft gedaan omtrent de onterechte uitkering van haar broer, niet aannemelijk acht.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Appellante ontkent niet zich aan de verweten gedragingen schuldig te hebben gemaakt en dat dit gedrag als plichtsverzuim is aan te merken. Wel handhaaft appellante haar stelling dat het ontslagbesluit niet voldoet aan het beginsel van zorgvuldigheid en dat dit besluit niet onbevooroordeeld tot stand is gekomen. Ook acht appellante de opgelegde straf onevenredig.
3.2. De Raad volgt appellante hierin niet. Het ontslagbesluit is niet onzorgvuldig tot stand gekomen. Zo is appellante de gelegenheid geboden te reageren op het onderzoeksrapport en heeft er naar aanleiding van het ontslagvoornemen van 17 juni 2008 op 1 juli 2008 een verantwoordingsgesprek plaatsgevonden. Voorts heeft het college voorafgaande aan het ontslagbesluit, zoals voorgeschreven, advies gevraagd aan het Bureau Integriteit. Dat dit niet heeft geleid tot een andere zienswijze van het college, betekent niet dat dit slechts “blote formaliteiten” waren, waarbij al vaststond dat de brief van 17 juni 2008 zonder meer tot onvoorwaardelijk ontslag zou leiden. Evenmin kan dit worden aangemerkt als vooringenomenheid dan wel bevooroordeeldheid van het college. Hiervan was naar het oordeel van de Raad ook in andere zin geen sprake.
3.3. De Raad acht de opgelegde straf niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Door haar gedrag heeft appellante het noodzakelijk in haar te stellen vertrouwen verloren en heeft zij aangetoond niet te beschikken over de terecht gestelde eisen van betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van de DWI. Anders dan appellante meent zijn de leeftijd van appellante en de duur van het dienstverband niet als een strafverzwarende omstandigheid meegewogen, maar heeft het college hierin geen reden gezien een minder zware straf op te leggen. De Raad kan het college hierin volgen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en R. Kooper en H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.
(get.) J.G. Treffers.
S. Werensteijn.
De griffier is buiten staat te tekenen.
NK