ECLI:NL:CRVB:2012:BV0818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1208 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen afwijzing uitkering vervolgingsslachtoffers niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Appellant heeft in 1999 een aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) ingediend, die werd afgewezen en onherroepelijk werd. In december 2009 diende appellant opnieuw een aanvraag in, opgevat als verzoek tot herziening, welke op 4 augustus 2010 werd afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Appellant diende een bezwaarschrift in op 10 december 2010, ontvangen op 16 december 2010, waarmee de wettelijke termijn van zes weken was overschreden. Als reden gaf appellant aan dat het verkrijgen van een getuigenverklaring uit de Verenigde Staten veel tijd kostte. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en het ontbreken van een verschoonbare reden.

De Raad overweegt dat de wettelijke termijn van zes weken is overschreden en dat de opgegeven reden niet voldoet aan de criteria voor verschoonbaarheid volgens artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Verweerder zal nog onderzoeken of appellant in bezwaar nieuwe feiten heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend en geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding is aangetoond.

Uitspraak

11/1208 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 12 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in dit geval de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de voormalige Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 februari 2011, kenmerk BZ01283911 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft in 1999 een aanvraag ingediend op grond van de Wuv ten behoeve van de toekenning van een periodieke uitkering. Deze aanvraag is afgewezen en die afwijzing is in rechte onaantastbaar geworden.
1.2. In december 2009 heeft appellant wederom een aanvraag op grond van de Wuv ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder opgevat als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzing. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 4 augustus 2010, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren had gebracht die aanleiding zouden kunnen geven de eerdere besluitvorming te herzien.
1.3. Appellant heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 10 december 2010 en bij de PUR ingekomen op 16 december 2010. Daarmee is de wettelijke termijn om bezwaar te maken overschreden. Op de vraag van verweerder naar de reden van de termijnoverschrijding heeft appellant aangegeven dat hij een getuige in de Verenigde Staten moest benaderen en dat het verkrijgen van die getuigenverklaring nogal veel tijd in beslag genomen had.
1.4. Verweerder heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de bezwaartermijn van zes weken is overschreden en dat appellant niet buiten staat was om, in afwachting van de getuigenverklaring uit de Verenigde Staten, tijdig een voorlopig bezwaarschrift in te dienen om de termijn te sauveren.
2. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht het volgende.
2.1. De termijn voor het maken van bezwaar bedraagt zes weken. Vast staat dat deze termijn is overschreden. Om deze reden dient de niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken tenzij blijkt van een aanvaardbare reden voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenals verweerder is de Raad van oordeel dat de door appellant opgegeven oorzaak van de termijnoverschrijding niet een reden is voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Ook overigens is daarvan niet gebleken. Verweerder heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.2. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard. Verweerder heeft overigens ter zitting toegezegd om na te gaan of appellant in bezwaar alsnog nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die het eerdere besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding zou moeten zien om tot herziening over te gaan.
3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.
(get.) R. Kooper.
(get.) B. Bekkers.
RB