ECLI:NL:CRVB:2012:BV1335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/4991 AW + 11/1557 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vergoeding van kosten verband houdende met ziekte en heropening onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 augustus 2009, waarin het verzoek van appellant om vergoeding van kosten verband houdende met ziekte werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft op 5 januari 2012 uitspraak gedaan. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit van de korpsbeheerder niet berustte op een deugdelijke motivering, zoals eerder vastgesteld in een tussenuitspraak van 30 december 2010. De korpsbeheerder heeft zijn besluit van 21 december 2007, waarin het verzoek om vergoeding werd afgewezen, later voorzien van een nadere motivering. De Raad concludeert dat deze nadere motivering het gebrek in de eerdere motivering heeft hersteld, waardoor het bestreden besluit nu op een voldoende grondslag berust.

De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens wordt het onderzoek heropend om een nadere uitspraak te doen over het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. De Raad overweegt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden is als deze niet langer dan vier jaar duurt. In dit geval is er echter een vermoeden dat de redelijke termijn is overschreden, aangezien de procedure meer dan vier jaar heeft geduurd.

De Raad oordeelt verder dat de korpsbeheerder op goede gronden heeft afgezien van vergoeding van de door appellant gevorderde kosten, omdat deze onvoldoende waren onderbouwd. De Raad veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep. De uitspraak van de Raad is openbaar uitgesproken op 5 januari 2012.

Uitspraak

09/4991 AW
11/1557 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 augustus 2009, 08/443 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord (korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 5 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 30 december 2010, 09/4991 AW-T, LJN BP0236 (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de korpsbeheerder bij brief van 17 februari 2011 zijn besluit van 21 december 2007 (bestreden besluit) voorzien van een nadere motivering.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 24 november 2011. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kooren.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.
1.1. Op verzoek van de korpsbeheerder heeft appellant hem nadere informatie verstrekt ter specificatie en onderbouwing van de kosten waarvan appellant vergoeding heeft gevraagd. De korpsbeheerder heeft bij brief van 17 februari 2011 zijn besluit van 21 december 2007 tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van kosten verband houdende met ziekte op grond van artikel 53 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) van een nadere motivering voorzien. Daarbij heeft de korpsbeheerder overwogen dat de daadwerkelijk met de ziekte verband houdende kosten die appellant heeft gevorderd, te weten (a) de kosten voor het reizen naar en bezoeken van medische specialisten, (b) kosten die zijn gemoeid met een traumagerichte behandeling en (c) medische kosten in de zin van de eigen bijdrage, onvoldoende zijn onderbouwd. De overige door appellant gevorderde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat het daadwerkelijke verband van die kosten met zijn ziekte volgens de korpsbeheerder ontbreekt.
2. In reactie op deze nadere motivering heeft appellant gesteld dat bij de toetsing van artikel 53 van het Barp geen sterk causaal verband in de zin van daadwerkelijk met de ziekte verband houdende kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd, is vereist zoals de korpsbeheerder dat heeft aangenomen. Appellant meent dat alleen getoetst moet worden of die kosten zijn gemaakt in verband met de ziekte en dat een strikt bewijs daarvoor niet nodig is. Voldoende is volgens appellant dat dit verband aannemelijk is gemaakt. Volgens appellant moet de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten worden gezien in het licht van de persoonlijke feiten en omstandigheden. Ter zitting van de Raad van 24 november 2011 heeft appellant gemeld dat hij niet langer aanspraak maakt op vergoeding van de volgende kosten: € 38.400,- achterstallig salaris door ontslag; € 25.000,- advocaatkosten; de onbekende bedragen voor slijtage auto, voor reizen naar familieleden, voor gereedschap en voor sigaretten. Appellant heeft voorts verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. De korpsbeheerder heeft in de nadere motivering die hij na de tussenuitspraak aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, het juiste criterium toegepast ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van kosten op grond van artikel 53 van het Barp, te weten of sprake is van een daadwerkelijk verband van die kosten met de ziekte van appellant.
3.2. De kosten die door de korpsbeheerder in de aanvullende motivering zijn genoemd onder a, te weten het door appellant gevorderde onbekende bedrag voor veelvuldige bezoeken en reizen naar medisch specialisten, heeft appellant niet nader gespecificeerd of aannemelijk gemaakt. Daarom al heeft de korpsbeheerder op goede gronden afgezien van een tegemoetkoming. Hetzelfde geldt voor het door appellant nog gevorderde onbekende bedrag aan kosten voor toekomstige traumagerichte behandeling, in de nadere motivering van de korpsbeheerder genoemd onder b, dat evenmin is voorzien van een nadere onderbouwing. De kosten van € 800,- à € 1.500,- die appellant heeft opgegeven aan eigen bijdrage voor medicijnen en bezoek aan de huisarts, genoemd onder c in de nadere motivering van de korpsbeheerder, zijn door hem niet inzichtelijk gemaakt. Van appellant mocht worden verwacht dat hij meer zou doen dan alleen een grove schatting te maken, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken, verkregen van zijn verzekeraar, apotheek en huisarts. Bij gebrek hieraan heeft de korpsbeheerder ook dit onderdeel van het verzoek van appellant op goede gronden afgewezen.
3.3. Met betrekking tot de overige door appellant gevorderde kosten, te weten € 12.000,- aan ontspanningskosten in het kader van therapie tot aan de leeftijd van 65 jaar; € 52.000,- reis- en parkeerkosten in verband met bezoek andere steden tot aan leeftijd van 65 jaar; € 3.600 reizen naar ministeries, advocaten, media, andere instanties, administratiekosten, extra telefoonkosten, kopieerkosten, extra energiekosten, kan de korpsbeheerder worden gevolgd in zijn motivering dat het daadwerkelijke verband met de ziekte van appellant ontbreekt. De appellant behandelende psycholoog heeft hem weliswaar aangeraden om meer ontspanningsactiviteiten te verrichten, maar daarvan kan niet worden gezegd dat de kosten die appellant daarvoor heeft gemaakt daadwerkelijk verband houden met de ziekte, noch dat dit onderdeel uitmaakte van de therapie. Van een opdracht uit oogpunt van therapeutische behandeling was ook geen sprake. Bovendien had appellant ook andere door de psycholoog genoemde kostenloze activiteiten kunnen ondernemen.
3.4. Op grond van het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het vorenstaande, komt de Raad tot het volgende oordeel. Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Daarom dient dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Uit deze uitspraak volgt dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit, door de nadere motivering die de korpsbeheerder bij brief van 17 februari 2011 heeft gegeven, is hersteld en het bestreden besluit nu berust op een voldoende grondslag. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3.5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.196,-.
4. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad als volgt. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 januari 2009, LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling in hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpsbeheerder op 20 augustus 2007 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim vier maanden verstreken. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.
Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de korpsbeheerder vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot het besluit van 21 december 2007 iets meer dan vier maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 1 februari 2008 tot de uitspraak op 25 augustus 2009 een jaar en bijna zeven maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 4 september 2009 tot deze uitspraak twee jaar en ruim vier maanden geduurd.
4.1. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 december 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/227 BESLU, ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en W. van den Brink, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) J. van Dam.
HD