ECLI:NL:CRVB:2012:BV1903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1057 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning loongerelateerde werkhervattingsuitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid door slaapapneu

Appellant, werkzaam als verpleegkundige, meldde zich ziek vanwege slaapapneu en kreeg van het UWV een loongerelateerde werkhervattingsuitkering toegekend voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (35-80%). Hij maakte bezwaar met het argument dat zijn slaapstoornis volledig en duurzaam arbeidsongeschikt maakte. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank, die het besluit bevestigde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit medische rapporten, waaronder die van het slaapcentrum Sein, blijkt dat de behandeling nog niet is afgerond en verbetering mogelijk is. De beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), zoals een urenbeperking tot 4 uur per dag en het vermijden van zware fysieke arbeid, zijn voldoende om rekening te houden met de klachten.

De Raad vond de medische onderbouwing voor psychische en energetische klachten summier en volgde het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat er benutbare arbeidsmogelijkheden zijn. De geschiktheid van de geduide functies is medisch en arbeidskundig voldoende toegelicht. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

11/1057 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 januari 2001, 10/435 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 2 december 2011 heeft voormelde gemachtigde nog een nadere toelichting op het hoger beroep gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant en zijn gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, werkzaam als verpleegkundige, heeft zich per 11 mei 2006 ziek gemeld in verband met klachten samenhangend met slaapapneu. Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft het Uwv hem na afloop van de wachttijd (verlengd in verband met het opleggen van een zogenoemde loonsanctie aan de werkgever) een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend in de vorm van een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Daaraan ligt een onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag, die heeft geconstateerd dat appellant (met wisselend resultaat) onder behandeling is voor slaapproblemen en dat hij in verband hiermee en samenhangend met het gestoorde slaap-waak ritme ook klachten meldt in verband met energiegebrek, concentratieproblemen en klachten ondervindt van psychische aard. Eén en ander is echter niet van dien aard dat appellant geen arbeid zou kunnen verrichten, mits beperkingen in acht genomen worden, zoals onder andere een urenbeperking tot 4 uur per dag (ook in te vullen in de vorm van twee maal 2 uur met rustpauze), en zware fysieke arbeid wordt vermeden. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juni 2009. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 augustus 2009, waarbij in de eerste plaats is gesteld dat is gebleken dat de slaapproblemen niet goed te behandelen zijn zodat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Mocht dit anders zijn, dan zijn de slaapproblemen van hem zo wisselend van aard, dat wil zeggen: het is zo onvoorspelbaar of en in welke mate klachten als gevolg ervan zullen optreden, dat er voor hem geen reële arbeidsmogelijkheden zijn, zodat indeling in de categorie 80 tot 100% op haar plaats is. In het kader van dit bewaar is rapport uitgebracht door M. Bakker, bezwaarverzekeringsarts en H.J. van Heun, bezwaararbeidsdeskundige, welke laatste een toelichting heeft gegeven op de geduide functies en het verlies aan verdiencapaciteit heeft gesteld op 69,79%. Bij besluit van 2 februari 2010 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij nogmaals is benadrukt dat het gaat om een ernstige slaapstoornis die veel negatieve consequenties heeft voor zijn dagelijks functioneren. Tevens is gewezen op de overgelegde rapporten van Lechnerconsult en de verklaringen van slaapcentra, met name die van het centrum Sein te Zwolle waar hij laatstelijk onder behandeling was.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad merkt allereerst op, dat uit de gedingstukken en met name voornoemd rapport van het slaapcentrum Sein van 6 april 2010 blijkt dat de behandeling van appellant nog niet is afgerond en dat de behandelend neurologen nog mogelijkheden tot verbetering zien (met name met het zogenoemde full face masker in combinatie met gedragstherapie zou een redelijk resultaat te behalen zijn). Van een volledige een duurzame ongeschiktheid als door appellant bedoeld is derhalve geen sprake. De Raad is vervolgens van oordeel dat er voldoende beperkingen in de FML zijn opgenomen. Met name de urenbeperking van 20 uur per week of 4 uur per dag - zo nodig: twee maal 2 uur, onderbroken door een ruime rustpauze -, in combinatie met een niet gering aantal fysieke beperkingen, komt in afdoende mate tegemoet aan het slaaptekort en de eventuele energetische gevolgen daarvan. De Raad heeft in vaste jurisprudentie het CBBS systeem als zodanig acceptabel geacht: de ondergrens van de normaalwaarde is bij de items uit de FML betreffende concentratie en het verdelen van aandacht gesteld op een half uur, terwijl niet is gebleken dat appellant op deze punten in die mate beperkt is, in tegendeel: appellant heeft zelf verklaard nog wel één uur achtereen te kunnen lezen of de PC te kunnen gebruiken. Overigens stellen de geduide functies gelet op de aard ervan op het cognitieve vlak zeker geen te hoge eisen. De Raad merkt hierbij nog op, dat wel (veel) informatie is overgelegd van longartsen en slaapcentra maar dat de medische onderbouwing voor de gestelde psychische en energetische klachten ontbreekt of zeer summier is. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in diens oordeel dat de situatie dat er geen benutbare mogelijkheden zouden zijn niet aan de orde is.
4.3. Met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht merkt de Raad op, dat zulks in de arbeidskundige rapporten van 13 juni 2009 en 1 februari 2010 in voldoende mate is toegelicht.
4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling van één der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012.
(get.) J. Riphagen.
(get.) H.L. Schoor.
KR