ECLI:NL:CRVB:2012:BV1913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving aanvankelijk een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, welke door het UWV werd herzien naar 55 tot 65% na een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat haar beperkingen, met name psychisch en fysiek, niet juist waren ingeschat en dat de geduide functies niet geschikt waren vanwege haar beperkingen.
Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar gedeeltelijk gegrond door de mate van arbeidsongeschiktheid te verhogen naar 65 tot 80%, maar het overige bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de juiste criteria had gehanteerd en dat appellante geen recht had op vertrouwen dat geen herbeoordeling zou plaatsvinden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de onjuiste inschatting van haar belastbaarheid en de ongeschiktheid van de functies. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was, dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) adequaat waren vastgesteld en dat de arbeidskundige rapporten de geschiktheid van de functies voldoende onderbouwden.
De Raad concludeerde dat de geduide functies geen te zware eisen stelden en dat de beperkingen van appellante, zowel psychisch als fysiek, voldoende waren meegenomen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt verworpen.