ECLI:NL:CRVB:2012:BV1934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2040 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van terugkomen op eerder besluit inzake WAO-uitkering

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 25 januari 2012 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant, die in Marokko woont. Appellant had eerder een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, maar deze was per 26 januari 1993 beëindigd. Appellant verzocht om herziening van dit besluit, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit afwijzende besluit ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.

Tijdens de zitting op 14 december 2011 was appellant niet aanwezig, maar het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. H.B. Heij. Appellant stelde dat hij nog steeds ziek was en niet in staat om arbeid te verrichten. De Raad overwoog dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het eerdere besluit geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen die een herziening konden rechtvaardigen. De Raad verwees naar eerdere uitspraken en concludeerde dat er geen bewijs was van arbeidsongeschiktheid op 29 december 1995.

De Raad oordeelde dat het Uwv bevoegd was om het verzoek af te wijzen op basis van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv niet onredelijk had gehandeld. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en de Raad achtte geen termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en is gedateerd op 25 januari 2012.

Uitspraak

11/2040 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2011, 10/1319 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft zich nadien nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. H.B. Heij.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in Nederland werkzaam geweest. In 1992 is hij, terwijl hij een uitkering in het kader van de Ziektewet ontving, met toestemming van de rechtsvoorganger van het Uwv naar Marokko gegaan. Hij is niet naar Nederland teruggekeerd. Bij uitspraak van 5 juni 2009, LJN BI9029, heeft de Raad onder andere het besluit van 7 juli 2006 tot weigering van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 26 januari 1993 in stand gelaten.
1.2. Met een ongedateerde brief, door het Uwv ontvangen op 14 oktober 2009, heeft appellant verzocht om herziening van het besluit hem geen WAO-uitkering toe te kennen. Dit verzoek is door het Uwv bij besluit van 3 november 2009 afgewezen.
1.3. Bij besluit van 15 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep benadrukt appellant opnieuw dat hij nog steeds ziek is en geen arbeid kan verrichten.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.3. De Raad constateert dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 2006 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. De bij het verzoek meegezonden verklaring van zijn behandelend specialist dr. A. Rafie Adyel ziet niet op de gezondheidstoestand van appellant op een eerder tijdstip dan 2009. Aan deze verklaring kan dan ook niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. Daarbij heeft de Raad mede in zijn oordeel betrokken dat uit de uitspraak van 5 juni 2009 volgt dat bij einde wachttijd uitsluitend sprake was van rugklachten en dat de bevindingen van het onderzoek in Marokko niet wijzen op beperkingen in verband met ziekte of gebrek. Uit de brief van dr. Rafie Adyel kan niet de conclusie worden getrokken dat de rugklachten in januari 1993 op een onjuiste wijze zijn beoordeeld door het Uwv.
4.4. Voor zover appellant heeft beoogd om een zogeheten Amber-beoordeling te verzoeken overweegt de Raad dat dit evenmin tot een geslaagd hoger beroep kan leiden. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 november 2002, LJN AF3241, merkt de Raad op dat uit de in geding gebrachte stukken in elk geval niet blijkt van het bestaan van arbeidsongeschiktheid op 29 december 1995.
4.5. Het Uwv was gelet op het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 7 juli 2006. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012.
(get.) J. Riphagen.
(get.) H.L. Schoor.
KR