ECLI:NL:CRVB:2012:BV1938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid maatgevende arbeid
Appellante meldde zich op 20 juli 2009 ziek vanwege hoofdpijn en buikklachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. De verzekeringsarts verklaarde haar op 18 september 2009 hersteld voor het laatst verrichte werk per 21 september 2009, waarna het UWV het recht op ziekengeld beëindigde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten ernstiger waren dan vastgesteld en dat de verzekeringsarts onvoldoende informatie had ingewonnen, mede door taalproblemen. De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts wel degelijk informatie van de huisarts had opgevraagd en concludeerde dat appellante ondanks haar klachten in staat was haar werk te verrichten.
Een later UWV-besluit verklaarde appellante per 28 september 2010 arbeidsongeschikt wegens rugklachten, maar op de datum in geschil (21 september 2009) waren deze klachten nog niet aanwezig. De Raad vond geen bewijs van andere beperkingen die het werk onmogelijk maakten en bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat het recht op ziekengeld terecht was beëindigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 21 september 2009 wordt bevestigd als beëindigd.