ECLI:NL:CRVB:2012:BV6290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-730 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens uitblijven besluit ambtenarensituatie

Verzoekster, die op 1 oktober 2010 ontslag had gekregen wegens ongeschiktheid, stelde beroep in tegen het uitblijven van een besluit na een eerdere voorlopige voorziening die de werking van het ontslagbesluit opschortte. Zij vorderde dat de minister onmiddellijk uitvoering zou geven aan deze voorlopige voorziening vanwege nadelige fiscale gevolgen.

De minister stelde dat de redelijke termijn voor het nemen van een besluit nog niet was verstreken en dat het beroep daarom prematuur was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister een redelijke termijn had om te beslissen en dat verzoekster de minister niet in gebreke had gesteld, wat een vereiste is om een beroep in te dienen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk was en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door K.J. Kraan op 13 februari 2012.

Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

12/730 AW-VV en 12/729 AW
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], (verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 september 2011, 11/1025 en 11/4270,
in een geding tussen:
verzoekster
en
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)
Datum uitspraak: 13 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft bij brief van 4 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage (rechtbank) en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn door de rechtbank doorgestuurd naar deze Raad.
De minister heeft schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door D. Šakovic, juridisch adviseur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Wieringa, mr. K.H. Tjan en dr. M.J. van de Velde.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit de van volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 1 oktober 2010 is verzoekster per laatstgenoemde datum ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 april 2011, met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag is bepaald op de dag na die waarop het besluit van 1 oktober 2010 aan verzoekster is uitgereikt.
1.2. Bij uitspraak van 20 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van de minister van 27 april 2011 ongegrond verklaard.
1.3. Verzoekster heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij deze Raad, 11/6153 AW, en zij heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van 19 december 2011, 11/6154 AW-VV en LJN BU9026, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en de werking van de uitspraak van de rechtbank van 20 september 2011 geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.
1.4. Verzoekster heeft de minister bij brief van 23 december 2011 gevraagd om uiterlijk 31 december 2011 uitvoering te geven aan de uitspraak van 19 december 2011. Op 4 januari 2012 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit en een voorlopige voorziening gevraagd.
2. Aan haar verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat onmiddellijk uitvoering gegeven dient te worden aan de uitspraak van 19 december 2011, omdat haar verzoek is toegewezen en zij zeer nadelige fiscale gevolgen zal ondervinden als niet onmiddellijk de rechtsgevolgen van het besluit van 1 oktober 2010, totdat op het hoger beroep is beslist, ongedaan worden gemaakt.
3. De minister heeft zich onder verwijzing naar artikel 4:13 van Pro de Awb op het standpunt gesteld dat het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening prematuur zijn, omdat de redelijke termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden nog niet is verstreken.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist. In het hoger beroep met nummer 11/6153 AW is nog geen uitspraak gedaan door deze Raad. Het onderhavige beroep is gericht tegen het uitblijven van een besluit na de brief van verzoekster van 23 december 2011, waarin zij de minister heeft verzocht om uitvoering te geven aan de voorlopige voorziening bij uitspraak van 19 december 2011. Op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb acht de voorzieningenrechter zich bevoegd dit beroep en verzoek om voorlopige voorziening te behandelen.
4.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang.
4.3. Ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in deze hoofdzaak.
4.5. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de minister dat op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb aan de minister een redelijke termijn gegund had moeten worden om een besluit te nemen na de brief van 23 december 2011, nu de voorzieningenrechter in de beslissing van de uitspraak van 19 december 2011 niet tevens aan de minister heeft opgedragen om, zoals verzoekster had verzocht, onmiddellijk en onder straffe van een dwangsom, de rechtsgevolgen van het primaire besluit van 1 oktober 2010 ongedaan te maken totdat op het hoger beroep is beslist.
4.6. De in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van acht weken acht de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden redelijk. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de minister verzoekster bij brief van 2 februari 2012 heeft geïnformeerd over de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de voorlopige voorziening en haar heeft meegedeeld dat de betaling van de bezoldiging in gang wordt gezet en betaalbaar wordt gesteld in februari 2012. Bovendien heeft de minister verzoekster gevraagd om ten behoeve van de berekening van de nabetaling van hetgeen sinds de ingangsdatum van het ontslag ten onrechte niet aan haar is overgemaakt, onder verrekening van de uitkeringen die zij heeft ontvangen en vermeerderd met de wettelijke rente, een opgave van de inkomsten vanaf 4 juli 2011 te overleggen. De minister had die gegevens ten tijde van het onderzoek ter zitting van de voorzieningenrechter nog niet ontvangen. Uit het vorenstaande volgt dat de redelijke termijn voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:13 van Pro de Awb niet is overschreden.
5. De minister was op het moment van het indienen van het beroepschrift niet in gebreke om tijdig een besluit te nemen. Voorts is niet gebleken dat verzoekster de minister in gebreke heeft gesteld, noch dat redelijkerwijs niet van verzoekster kon worden gevergd dat zij de minister in gebreke zou stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:12, tweede en derde lid, van de Awb, kon verzoekster nog geen beroepschrift indienen. Het beroep is onder die omstandigheden niet-ontvankelijk. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat in die omstandigheden geen grond.
6. De voorzieningenrechter ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep van 4 januari 2012 tegen het niet tijdig nemen van een besluit
niet-ontvankelijk;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2012.
(get.) K.J. Kraan
(get.) J van Dam
EW