[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2010, 10/674 (aangevallen uitspraak)
de raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam
Datum uitspraak: 23 februari 2012
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Haze, advocaat. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak en A.S. de Wringer.
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren op 4 januari 1947, was werkzaam als verpleegkundige bij (rechtsvoorgangers van) het Universitair Medisch Centrum Rotterdam. Met ingang van 1 januari 2005 maakte zij gebruik van de Seniorenregeling. Op grond daarvan werd aan haar buitengewoon verlof verleend met behoud van salaris voor 20% van haar werktijd. Met ingang van 1 februari 2007 werd dit uitgebreid naar 40%. Eind 2008 werd duidelijk dat partijen er hierbij ten onrechte vanuit zijn gegaan dat appellante per 1 februari 2009 (op de leeftijd van 62 jaar) voor deelname aan de FPU-regeling in aanmerking zou komen.
1.2. Bij besluit van 19 januari 2009 heeft de raad van bestuur in verband met beëindiging van de deelname van appellante aan de Seniorenregeling per 1 februari 2009, haar dienstverband vastgesteld op 12,96 uur per week (60% van het oorspronkelijke dienstverband van 21,60 uur per week). Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2010 (bestreden besluit), onder toekenning van € 12.500,- (netto) als tegemoetkoming aan appellante. Met ingang van 1 juli 2010 heeft appellante gebruik gemaakt van het ABP Keuzepensioen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij met het toegekende bedrag voldoende is gecompenseerd voor het leed en ongemak dat zij als gevolg van de gang van zaken heeft ervaren. De raad van bestuur is van opvatting dat met de toekenning van het genoemde bedrag en de overige geboden faciliteiten in de werksfeer voldoende recht is gedaan aan de belangen van appellante. Opgemerkt is dat het ten onrechte genoten salaris (ongeveer € 24.000,-) niet wordt teruggevorderd.
4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.
4.1. Vast staat dat appellante als gevolg van het feit dat zij niet in aanmerking kwam voor deelname aan de FPU-regeling (van het ABP), niet langer voldeed aan de voorwaarden van de Seniorenregeling (artikel 6.1.4 van de CAO-UMC). Eveneens staat vast dat die situatie zich voordeed vanaf 1 januari 2006, toen de FPU-regeling is aangescherpt, maar dat zowel appellante als de raad van bestuur zich dit niet hebben gerealiseerd. Appellante bleef als gevolg van de vergissing gebruik maken van de Seniorenregeling tot 1 februari 2009 en koos daarna voor handhaving van het dienstverband voor het aantal uren dat zij op grond van de Seniorenregeling nog daadwerkelijk werkzaam was. Dat betekende een inkomensachteruitgang van 40%.
4.2. Ter zitting is namens de raad van bestuur toegelicht dat, met het bedrag van
€ 12.500,- is bedoeld als goed werkgever, appellante tegemoet te komen in het verschil tussen het inkomen dat zij (van 1 februari 2009 tot haar 65ste) zou hebben genoten als deelnemer aan de FPU-regeling en het inkomen waarop zij recht zou hebben op grond van het ABP-keuzepensioen, welk verschil ongeveer € 24.000,- (bruto) bedraagt.
4.3. De Raad constateert dat de ontstane situatie het gevolg is van een vergissing die door beide partijen is gemaakt en die zeker niet alleen voor rekening van de raad van bestuur komt. Verder is van belang dat het niet kunnen deelnemen aan de FPU-regeling door appellante buiten de invloedssfeer van de raad van bestuur ligt. Er kan dan ook geen sprake zijn van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen of van handelen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Tot slot is van belang dat appellante van de vergissing ook voordeel - in de zin van betaalde vrije tijd - heeft gehad, doordat zij gebruik heeft kunnen maken van de Seniorenregeling, terwijl zij daar strikt genomen vanaf 1 januari 2006 geen recht meer op had. Voor een extra compensatie van gemiste vrije tijd na 1 februari 2009 ziet de Raad daarom geen reden. Hoewel de teleurstelling van appellante, toen zij ontdekte dat zij niet per 1 februari 2009 met FPU kon gaan, goed voorstelbaar is, behoort dat toch in de eerste plaats tot haar eigen risico. De raad van bestuur heeft met toekenning van het bedrag van € 12.500,- zijn deel van de verantwoordelijkheid voor de vergissing genomen. De Raad komt op grond van de vorenstaande afweging tot dezelfde slotsom als de rechtbank. Appellante is met het toegekende bedrag van € 12.500,- niet tekort gedaan.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. De Raad ziet gaan aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P. Venema en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.