ECLI:NL:CRVB:2012:BV6831

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5416 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AMAR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens wangedrag na zonder rijbewijs wegnemen ziekenauto en veroorzaken ongeval

Appellant, werkzaam als chauffeur bij Defensie, nam in de nacht van 1 op 2 september 2010 zonder toestemming en zonder geldig rijbewijs een ziekenauto mee van de kazerne om een persoonlijk ziekenhuisdocument op te halen. Tijdens de rit raakte hij van de snelweg en kantelde de ziekenauto, waarbij deze zwaar beschadigd raakte en appellant licht gewond raakte. Na dit incident werd appellant geschorst en vervolgens ontslagen wegens wangedrag op grond van artikel 39 AMAR Pro.

De militaire politierechter veroordeelde appellant voor het rijden zonder rijbewijs en het wederrechtelijk gebruik van een motorrijtuig, maar sprak hem vrij van rijden onder invloed. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet onder invloed was en dat vermoeidheid de oorzaak was van het ongeval. Tevens stelde hij dat hij een goede staat van dienst had en dat collega’s met ernstiger gedragingen niet waren ontslagen.

De Raad oordeelde dat het zonder toestemming wegnemen van de ziekenauto, het rijden zonder geldig rijbewijs en het veroorzaken van het ongeval terecht als wangedrag zijn aangemerkt. Het ontslag is niet onevenredig gezien de ernst van het plichtsverzuim en het ernstige vertrouwen dat appellant heeft geschaad. Ook de negatieve publiciteit en imagoschade voor Defensie rechtvaardigen het ontslag. De verwijzing naar collega’s was onvoldoende gespecificeerd om ongelijke behandeling aan te tonen.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens wangedrag wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/5416 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 augustus 2011, 11/3862, (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Defensie (minister)
Datum uitspraak: 23 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Verschuren, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.V. Wannyn.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was vanaf eind 2009 aangesteld als chauffeur voor de Bataljonsadjudant in de rang van huzaar der tweede klasse. In de nacht van 1 op 2 september 2010 heeft appellant, na het nuttigen van een paar biertjes, zonder toestemming en zonder daarvoor over een geldig rijbewijs te beschikken een ziekenauto van de kazerne in Oirschot weggenomen. Appellant wilde met die ziekenauto naar zijn huisadres in [woonplaats] rijden om zijn ponsplaatje van het ziekenhuis dat hij op 2 september 2010 moest bezoeken, op te halen. Tijdens die rit is appellant van de snelweg geraakt en is de ziekenauto op zijn kant in de berm tot stilstand gekomen. De ziekenauto was zwaar beschadigd. Appellant is bij dat ongeval licht gewond geraakt. Met ingang van 7 september 2010 is appellant geschorst in zijn ambt.
1.2. Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft de minister aan appellant wegens wangedrag ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellant het vertrouwen dat defensie in hem moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad en dat de gedragingen van appellant onverenigbaar zijn met het militaire ambt. Na bezwaar is dat ontslag gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2011 (bestreden besluit).
1.3. De militaire politierechter heeft appellant bij uitspraak van 18 juli 2011 veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis voor het rijden op de openbare weg zonder geldig rijbewijs en tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis voor het opzettelijk wederrechtelijk enig motorrijtuig bij de krijgsmacht in gebruik, gebruiken. Appellant is vrijgesproken van het rijden onder invloed.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij tot het ontslag een goede staat van dienst had van 10 maanden. Naar de mening van appellant is hij door het bericht in de media ten onrechte in een te negatief daglicht gesteld. Appellant heeft onder verwijzing naar de vrijspraak van het rijden onder invloed gesteld dat hij niet onder invloed was van te veel alcohol en dat hij door vermoeidheid van de weg is geraakt. Voorts heeft appellant erop gewezen dat militairen die ernstiger misdragingen hadden gepleegd dan hetgeen hij heeft gedaan, wel in dienst mochten blijven. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat het zijn lust en zijn leven is om als militair werkzaam te kunnen zijn en dat hij op dit moment stratenmaker is.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
4.2. De gedragingen van appellant in de nacht van 1 op 2 september 2010 die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten het zonder toestemming wegnemen van de ziekenauto, het rijden met een ziekenauto op de openbare weg zonder daarvoor over een geldig rijbewijs te beschikken en het vervolgens veroorzaken van een ongeval met schade aan de ziekenauto, zijn tussen partijen niet in geschil. De minister heeft deze gedragingen terecht aangemerkt als wangedrag. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat hem geen wangedrag kan worden verweten omdat het de eerste keer was en hij niet is gewaarschuwd; appellant wordt ook zonder waarschuwing bij voorbaat geacht te weten dat deze gedragingen niet geoorloofd waren. De omstandigheid dat appellant op moment van het voorval gedurende 10 maanden in dienst was en een goede staat van dienst had, maakt het vorenstaande evenmin anders.
4.3. De Raad acht, net als de rechtbank, het ontslag wegens wangedrag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De minister heeft niet ten onrechte groot gewicht gehecht aan het feit dat appellant met zijn handelwijze het vertrouwen dat de minister in appellant moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Daar komt bij dat het incident heeft geleid tot ongewenste negatieve publiciteit waardoor het imago van defensie ernstige schade is toegebracht. Dat appellant is beschreven als ‘dronken soldaat’, hetgeen niet juist was omdat hij achteraf is vrijgesproken van rijden onder invloed maakt dat niet anders. Appellant en defensie zijn daardoor weliswaar ten onrechte in een negatiever daglicht gesteld dan de feiten rechtvaardigen, maar anders dan appellant stelt komt dat toch eerder voor zijn risico dan voor dat van de minister, aangezien appellant degene is die het ongeluk heeft veroorzaakt.
4.4. De verwijzing van appellant naar collega’s die na het plegen van ernstiger gedragingen dan hetgeen appellant heeft gedaan wel in dienst mochten blijven, is onvoldoende gespecificeerd om te kunnen beoordelen welke omstandigheden ertoe hebben geleid dat die andere militairen niet zijn ontslagen en of sprake is ongelijke behandeling van appellant. Deze grond kan daarom niet slagen.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) B. Bekkers.
HD