ECLI:NL:CRVB:2012:BV7301

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5995 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet (ZW)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft na ontvangst van een werkloosheidsuitkering zich ziek gemeld bij het UWV met ingang van 10 juli 2008. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant ongeschikt was tot het verrichten van arbeid in die periode. Appellant verbleef in Ghana van mei 2008 tot mei 2009.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV ongegrond, mede op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts waarin werd vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren voor arbeidsongeschiktheid. De verklaring van het MAB Medicare Centre vermeldde wel klachten, maar geen afwijkende medische bevindingen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en acht het rapport van de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd, ondanks dat deze appellant niet persoonlijk heeft gezien. Appellant heeft geen aanvullende gegevens aangeleverd die het oordeel van de arts tegenspreken.

De Raad oordeelt dat eventuele resterende twijfel voor risico van appellant blijft en bevestigt daarom de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid vanaf 10 juli 2008.

Uitspraak

10/5995 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 oktober 2010, 10/434 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 29 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012.
Namens appellant is verschenen mr. Smeets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft tot 14 juni 2008 een werkloosheidsuitkering ontvangen. Op 28 september 2009 is appellant bij het Uwv met ingang van 10 juli 2008 ziek gemeld. Appellant verbleef destijds in Ghana waarheen hij op 17 mei 2008 was vertrokken en vanwaar hij op 15 mei 2009 in Nederland is teruggekeerd.
2. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 juli 2008 geen recht had op ziekengeld.
3. Bij besluit van 9 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 november 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, gelet op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 1 maart 2010, overwogen dat uit de beschikbare gegevens onvoldoende is af te leiden dat er in de periode van 10 juli 2008 tot 23 december 2008 sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet (ZW).
Naar het oordeel van de rechtbank wordt uit de achteraf overgelegde verklaring van MAB Medicare Centre niet duidelijk of er in de periode vóór 23 december 2008 sprake was van een ziekenhuisopname of behandeling anders dan op de dag van een ongeval op 10 juli 2008. Deze onduidelijkheid komt naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden voor risico van appellant.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
5.2. De betrokken bezwaarverzekeringsarts heeft in voormeld rapport van 1 maart 2010 uiteengezet dat het niet aannemelijk is dat appellant na 10 juli 2008 ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid. Daarbij is in aanmerking genomen dat in voormelde verklaring wel melding wordt gemaakt van klachten, maar niet van afwijkende bevindingen. Voormeld rapport acht de Raad, hoewel de bezwaarverzekeringsarts appellant niet heeft gezien, voldoende onderbouwd. Appellant heeft ook in hoger beroep geen gegevens ingebracht die erop wijzen dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat eventueel nog resterende twijfel in dit verband voor risico van appellant dient te blijven.
6. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) K.E. Haan.
EK